Strafrecht overig

Antilliaanse zaak. Medeplegen van: moord en poging tot moord. Schriftuur te laat ingediend. Verdachte is n-o…

Zaakgegevens

Op 11 juli 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 juli 2017
Datum publicatie
11 oktober 2017
Zaaknummer
16/05765
ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:1048
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Antilliaanse zaak. Medeplegen van: moord en poging tot moord. Schriftuur te laat ingediend. Verdachte is n-o ex art. 437.2 Sv.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 juli 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2017:1048

  2. Hoge Raad · 10 oktober 2017

    ECLI:NL:HR:2017:2596

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 16/05765 A

Zitting: 11 juli 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 9 mei 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, ter zake van de parketnummers P-2013/08624 en P-2014/06430 wegens 1. "medeplegen van moord", 2. "medeplegen van poging tot moord" 3. "overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening" en ter zake van parketnummer P-2014/02890 wegens "overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening" en ter zake van parketnummer P-2015/02780 wegens "overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening", veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf. Tevens heeft het hof de in de zaak met parketnummer P-2014/02890 inbeslaggenomen revolver en munitie onttrokken aan het verkeer.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. P.M.E. Mohamed, advocaat te Oranjestad, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 12 december 2016 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De schriftuur is eerst binnengekomen op 14 februari 2017.

  4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

  5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG