Strafrecht overig
Ontvankelijkheid in h.b., art. 408.2 Sv. Is het na de 14-dagentermijn ingestelde h.b. tijdig ingesteld? Op…
ECLI:NL:PHR:2017:1394 · Parket bij de Hoge Raad · 31 oktober 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-1394
Zaakgegevens
Op 31 oktober 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2017
- Datum publicatie
- 20 december 2017
- Zaaknummer
- 16/03705
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:1394
Samenvatting
Ontvankelijkheid in h.b., art. 408.2 Sv. Is het na de 14-dagentermijn ingestelde h.b. tijdig ingesteld? Op gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Nu de laatste dag van de termijn om h.b. in te stellen op een zondag viel wordt deze ex art. 1.1 van de Algemene Termijnenwet verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Het appel is ingesteld op die eerstvolgende dag (maandag) zodat het Hof verdachte ten onrechte n-o heeft verklaard. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 oktober 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:1394
Hoge Raad · 19 december 2017
ECLI:NL:HR:2017:3223Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 16/03705 Zitting: 31 oktober 2017 |
Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
-
Het gerechtshof Den Haag heeft bij verstekarrest van 23 juli 2013 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank 's-Gravenhage, locatie Leiden, van 24 januari 2011 waarbij de verdachte wegens "overtreding van het bepaalde in artikel 62 jo. bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" bij verstek is veroordeeld tot een geldboete van € 520,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.
-
Namens de verdachte heeft mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
-
Het eerste middel klaagt dat het hof niet begrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte in zijn op 18 maart 2013 ingestelde hoger beroep niet kan worden ontvangen, nu het hof hiervoor verwijst naar de mededeling uitspraak die op 3 maart 2013 aan de verdachte in persoon is betekend, terwijl dit stuk zich volgens de steller van het middel niet bij de stukken van het geding bevindt.
-
Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden). In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman met betrekking tot het in het middel bedoelde stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Ten overvloede wijs ik erop dat het middel feitelijke grondslag mist, nu dit stuk zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt.
-
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte
niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. -
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
"De verdachte was op 3 maart 2013 bekend met het vonnis waarvan beroep omdat op deze datum een mededeling uitspraak in persoon aan de verdachte was uitgereikt.
De verdachte had derhalve binnen veertien dagen hierna in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 18 maart 2013 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."
7. Uit de in cassatie voorhanden zijnde stukken van het geding blijkt het volgende. De verdachte is op 24 januari 2011 door de kantonrechter bij verstek veroordeeld. De 'mededeling uitspraak' is op 3 maart 2013 aan de verdachte in persoon uitgereikt. Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv moet binnen veertien dagen nadien hoger beroep worden ingesteld. De akte instellen hoger beroep houdt in dat op 18 maart 2013 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormeld vonnis. Nu de termijn verstreek op 17 maart 2013, een zondag, werd deze ingevolge het bepaalde in art. 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is, derhalve tot en met maandag 18 maart 2013. Gelet hierop heeft de verdachte tijdig hoger beroep ingesteld en heeft het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het middel is terecht voorgesteld.
8. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG