Strafrecht overig
Gewapende woningoverval waarbij de restauranthouder wordt neergeschoten en zijn hond wordt doodgeschoten. HR…
ECLI:NL:PHR:2017:159 · Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-159
Zaakgegevens
Op 17 januari 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 januari 2017
- Datum publicatie
- 21 maart 2017
- Zaaknummer
- 16/01580
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:159
Samenvatting
Gewapende woningoverval waarbij de restauranthouder wordt neergeschoten en zijn hond wordt doodgeschoten. HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 15/04110.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 24 augustus 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:2290Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 januari 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:159
Hoge Raad · 21 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:470Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 16/01580 Zitting: 17 januari 2017 |
Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
-
De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2015 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdachte werd wegens subsidiair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
-
Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 15/04110), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Ik bespreek eerst het tweede middel, waarin samengevat erover wordt geklaagd dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een alternatief scenario, althans dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
4.1. De klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, faalt. Het hof heeft uitvoerig uiteengezet waarom het door de verdachte aangevoerde scenario naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
4.2. Ten aanzien van de overige klachten kan ik ook kort zijn. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het hof als bewijsmiddelen 34, 35 en 38 verklaringen van de verdachte gebezigd. Na bewijsmiddel 38 heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen waarin het overweegt dat het “deze hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte alsmede die onder BWM 34” – waarmee kennelijk wordt gedoeld op de bewijsmiddelen 38 respectievelijk 34 – aanmerkt als kennelijk leugenachtige verklaringen om de waarheid te bemantelen.
4.3. Blijkens de toelichting op het middel nemen de klachten tot uitgangspunt dat nu het hof bewijsmiddel 35 in zijn nadere bewijsoverweging niet heeft aangemerkt als een kennelijk leugenachtige verklaring het deze verklaring dus betrouwbaar heeft geacht. Ik meen dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Op grond van de bewijsoverwegingen in het verkorte arrest en in de aanvulling daarop, is het evident dat het hof ook de als bewijsmiddel 35 gebezigde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, maar dit abusievelijk niet in de nadere bewijsoverweging heeft vermeld. De nadere bewijsoverweging in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv dient in die zin verbeterd te worden gelezen. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan de klachten te ontvallen.
4.4. Het middel is evident kansloos en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.
5. Het eerste middel – dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG