Strafrecht overig
Geen schriftuur. Betrokkene is n-o in het beroep. Samenhang met 15/02710.
ECLI:NL:PHR:2017:31 · Parket bij de Hoge Raad · 10 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-31
Zaakgegevens
Op 10 januari 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 januari 2017
- Datum publicatie
- 7 februari 2017
- Zaaknummer
- 15/02733
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:31
Samenvatting
Geen schriftuur. Betrokkene is n-o in het beroep. Samenhang met 15/02710.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 januari 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:31
Hoge Raad · 7 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:170Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/02733 P Zitting: 10 januari 2017 |
Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] |
-
Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 35.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
-
Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de betrokkene (nr. 15/02710), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
-
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
-
De aanzegging in cassatie is op 10 februari 2016 in persoon uitgereikt aan de betrokkene op zijn GBA-adres. Bovendien is op 12 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de betrokkene (mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG