Strafrecht overig
HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG. Motiveringsklachten die geen behandeling in cassatie…
ECLI:NL:PHR:2017:33 · Parket bij de Hoge Raad · 3 januari 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-33
Zaakgegevens
Op 3 januari 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 januari 2017
- Datum publicatie
- 7 februari 2017
- Zaaknummer
- 16/02038
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:33
Samenvatting
HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG. Motiveringsklachten die geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Samenhang met 16/02042 B.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 januari 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:33
Hoge Raad · 7 februari 2017
ECLI:NL:HR:2017:180Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 16/02038B Zitting: 3 januari 2017 |
Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klager] |
1. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, heeft bij beschikking van 24 maart 2016 een namens de klager ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van een inbeslaggenomen personenauto, merk Audi, met kenteken [AA-00-AA], ongegrond verklaard.
2. Namens de klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel
3.1. Het middel komt met twee deelklachten op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
3.2. In de eerste plaats wordt gesteld dat, indien de rechtbank haar beslissing tot ongegrondverklaring heeft gestoeld op de verklaring van de klager in raadkamer erop neerkomende dat hij geen rechthebbende (meer) is van de personenauto, zij de klager in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nog daargelaten dat de klacht berust op een verkeerde lezing van de overwegingen van de rechtbank (de rechtbank heeft bij haar beslissing tot ongegrondverklaring meer feiten en omstandigheden betrokken dan de steller van het middel doet voorkomen), faalt de klacht mijns inziens reeds wegens het ontbreken van enig te respecteren belang voor de klager bij vernietiging op dit punt.
3.3. In de tweede plaats wordt geklaagd dat, indien de rechtbank haar beslissing tot ongegrondverklaring heeft gebaseerd op de vaststelling dat de klager niet als rechthebbende kan worden aangemerkt, dat oordeel niet begrijpelijk is. Daarbij wordt verwezen naar bepaalde overwegingen in de uitspraak van de rechtbank in de samenhangende zaak van de moeder van de klager, [betrokkene 1] (16/02042B). Nu de klacht zich niet tegen enige beslissing in de onderhavige zaak richt, kan de klacht niet als middel van cassatie in de zin van de wet worden aangemerkt.
3.4. In de overwegingen van de rechtbank ligt besloten dat zij niet buiten redelijke twijfel heeft geacht dat de klager als eigenaar van de personenauto dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de auto eigendom was van de vader van de klager, die in november 2012 is overleden, dat klagers vader zijn vrouw en beide zonen -onder wie de klager- als enige en algehele erfgenamen heeft achtergelaten, dat beide zonen in april 2013 de erfenis hebben verworpen, zodat daarmee de moeder van de klager de enige en algehele erfgename is geworden. Bovendien heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de klager zelf in raadkamer te kennen heeft gegeven dat hij geen rechthebbende meer is van de auto, omdat hij afstand heeft gedaan van de erfenis van zijn vader. Het oordeel van de rechtbank geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk, en behoeft in het licht van het summiere karakter van de onderhavige procedure geen verdere motivering.
4. Het middel is kansloos voorgesteld en rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG