Strafrecht overig
Strafmotivering. Verwijzing naar eerdere veroordelingen t.z.v. strafbare feiten, terwijl uit uittreksel JD…
Parket bij de Hoge Raad, 16 mei 2017
ECLI:NL:PHR:2017:603 · Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-603
Zaakgegevens
Op 16 mei 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 mei 2017
- Datum publicatie
- 10 juli 2017
- Zaaknummer
- 15/04923
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:603
Samenvatting
Strafmotivering. Verwijzing naar eerdere veroordelingen t.z.v. strafbare feiten, terwijl uit uittreksel JD blijkt dat die feiten zijn begaan na bewezen verklaarde medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk een geschrift a.b.i. art. 225.1 Sr afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst (meermalen gepleegd). ’s Hofs vaststelling dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten en dat dit hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen, waarmee tot uitdrukking is gebracht dat die veroordelingen t.t.v. het tlgd. onherroepelijk waren, is niet z.m. begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel daarvoor geen steun biedt. Samenhang met 15/04456. CAG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 mei 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:603
Hoge Raad · 27 juni 2017
ECLI:NL:HR:2017:1282Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/04923 Zitting: 16 mei 2017 (bij vervroeging) |
Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. De verdachte is bij arrest van 17 september 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens onder 1 “medeplegen van valsheid in geschrift” en onder 2 “medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een geldboete van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 15/04456. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt gedragen. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag heeft opgemaakt of laten opmaken, aldus de steller van het middel.
5. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het middel betrekking heeft op het onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit. Het verwijt houdt in dat
“hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 maart 2009 Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een (elektronische) aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 en/of een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag zijnde een geschrift die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of laten opmaken immers hebben hij, verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die/dat elektronische aangifte en/of bezwaarschrift een te hoog bedrag aan terug te vragen BTW (voorbelasting) opgenomen of laten opnemen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
6. Het middel gaat eraan voorbij dat de bewezenverklaring betrekking heeft op “een (elektronische) aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 en/of een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag”. Het hof behoefde geen keuze te maken tussen hetzij de valsheid van de aangifte, hetzij de valsheid van het bezwaarschrift tegen de opgelegde aangifte, omdat dit onderscheid voor de strafrechtelijke kwalificatie niet van betekenis is.
7. In zoverre merk wijs ik ten overvloede op de samenhangende zaak, waarin was aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een aangifte in de zin van de wet. Het hof heeft in het arrest in de samenhangende zaak overwogen “dat ofwel sprake is van een zodanige aangifte ofwel – als dat niet zo is – van een als bezwaarschrift aan te merken stuk”. Hiermee kan worden verklaard waarom het hof ook in de onderhavige zaak geen keuze heeft gemaakt tussen de valsheid van de aangifte of die van het bezwaarschrift tegen de opgelegde aangifte.
8. Het middel faalt.
9. Het tweede middel klaagt over de strafmotivering. Het hof heeft daarbij ten onrechte acht geslagen op onherroepelijke veroordelingen van de verdachte die hem er niet van zouden hebben weerhouden de bewezenverklaarde feiten te begaan, terwijl die overweging volgens de steller van het middel niet kan volgen uit het uittreksel justitiële documentatie.
10. Met betrekking tot de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”
11. Uit het uittreksel justitiële documentatie waarnaar het hof verwijst blijkt wel dat de verdachte eerder wegens misdrijven onherroepelijk is veroordeeld, maar blijkt eveneens dat al die feiten zijn begaan ná de ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feiten. In zoverre is de strafmotivering (inderdaad) niet begrijpelijk. Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden omdat de laatste volzin een kennelijke verschrijving betreft. Uit het uittreksel blijkt dat de verdachte eerder wegens strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Het hof heeft kennelijk bedoeld te overwegen dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Indien de laatste volzin wordt weggelaten, is de strafmotivering niet onbegrijpelijk.
12. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
13. Het derde middel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd aan te geven dat het artikel 63 Sr heeft toegepast althans ervan blijk te geven te hebben nagegaan of het moest worden toegepast.
14. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een geldboete van € 50,000,- te vervangen door 285 dagen hechtenis. Ter zake van de feiten die het hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard, had het hof, gelet op het bepaalde in artikel 57, tweede lid, Sr, de verdachte een gevangenisstraf kunnen opleggen van ten hoogste negen jaren en een geldboete van de vijfde categorie.
15. Ter terechtzitting van het hof van 3 september 2015 heeft de verdachte aangegeven dat hij eerder ter zake van huiselijk geweld is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren. Uit het uittreksel justitiële documentatie gedateerd 20 augustus 2015, waarnaar het hof in zijn arrest verwijst, blijkt dat het feit is begaan op 2 februari 2015 terwijl de feiten ter zake waarvan de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld, zijn gepleegd vóór die strafoplegging. Gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr had het hof daarom geen hogere straf mogen opleggen dan overeenkomt met het genoemde strafmaximum verminderd met de taakstraf. Het hof is daar ver onder gebleven. In de schriftuur is niet aangegeven welk belang de verdachte heeft bij de toepassing van artikel 63 Sr, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
16. Het middel faalt.
17. De middelen falen. Het eerste en derde middel kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG