Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 15/02034 en ECLI:NL:HR:2017:592.

Parket bij de Hoge Raad, 27 juni 2017

Zaakgegevens

Op 27 juni 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 juni 2017
Datum publicatie
26 september 2017
Zaaknummer
15/01959
ECLI
ECLI:NL:PHR:2017:962
E-mail

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 15/02034 en ECLI:NL:HR:2017:592.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 27 juni 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2017:962

  2. Hoge Raad · 26 september 2017

    ECLI:NL:HR:2017:2488

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 15/01959

Zitting: 27 juni 2017

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 22 april 2015 de verdachte wegens primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 15/02034, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.

4. Op 3 februari 2016 is de aanzegging tevergeefs aangeboden op het oude, op dat moment reeds achterhaalde GBA-adres van de verdachte ( [a-straat 1] in Amsterdam). Vervolgens is de aanzegging - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 11 februari 2016 teruggezonden aan de Hoge Raad. Daarna is de aanzegging op 7 maart 2016 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op diens nieuwe GBA-adres ( [b-straat 1] in Lelystad), waarbij is voldaan aan de GBA-controle. Het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte betreft het oude, achterhaalde GBA-adres van de verdachte in Amsterdam. Voorts is op 15 maart 2016 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv, rechtsgeldig betekend.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

In de zaak tegen een andere medeverdachte ( [A] ) heeft de Hoge Raad reeds op 4 april 2017, nr. 15/01973, ECLI:NL:HR:2017:584 (onderzoek aan smartphone) uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft de cassatieberoepen van de verdachte en de advocaat-generaal bij het hof in die zaak verworpen. Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). De aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB van 15 maart 2016 betreffende de verdachte houdt in dat hij vanaf 9 mei 2014 tot 7 januari 2016 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Amsterdam. Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 15 maart 2016 volgt dat de verdachte op de dag van de uitreiking van de aanzegging op dat adres stond ingeschreven in de GBA. Deze houdt immers in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 7 januari 2016 stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Lelystad