Strafrecht overig
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag van € 105.000,- onder zoon van klaagster t.b.v. ontnemingszaak…
Parket bij de Hoge Raad, 11 juli 2017
ECLI:NL:PHR:2017:971 · Parket bij de Hoge Raad · 11 juli 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-971
Zaakgegevens
Op 11 juli 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juli 2017
- Datum publicatie
- 26 september 2017
- Zaaknummer
- 15/05456
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:971
Samenvatting
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedrag van € 105.000,- onder zoon van klaagster t.b.v. ontnemingszaak tegen zoon. HR: art. 80a RO. CAG: Oordeel Hof dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klaagster, een derde niet-beslagene, als eigenaresse van het geldbedrag dient te worden aangemerkt, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 juli 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:971
Hoge Raad · 26 september 2017
ECLI:NL:HR:2017:2498Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/05456 B Zitting: 11 juli 2017 |
Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klaagster] |
-
Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 9 november 2015 waarbij een namens de klaagster ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan haar van een onder haar zoon, [betrokkene 1], inbeslaggenomen geldbedrag van € 105.000,- ongegrond is verklaard.
-
Namens de klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel
3.1. Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster als eigenaresse van het geldbedrag dient te worden aangemerkt.
3.2. Het hof heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat (thans) op het inbeslaggenomen geldbedrag van € 105.000,- conservatoir beslag ex art. 94a Sv rust. In cassatie moet daarvan worden uitgegaan. In het onderhavige geval keert de klaagster, een derde/niet-beslagene, zich tegen een beslag in de zin van art. 94a Sv en stelt de klaagster dat zij eigenaresse is van het inbeslaggenomen geldbedrag. De rechter die over het beklag heeft te oordelen dient dan na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster als eigenaresse van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klaagster als eigenaresse wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a lid 4 of lid 5 Sv voordoet.
3.3. Het hof heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klaagster als enig eigenaresse van het geldbedrag, waarvan zij de teruggave verzoekt, kan worden aangemerkt. Daartoe heeft het hof overwogen dat het geldbedrag is aangetroffen in een plastic tas in een trolleykoffer, die zich in een bij de zoon van de klaagster in gebruik zijnde garagebox bevond, dat de zoon van de klaagster in zijn strafzaak meermalen heeft verklaard dat hij eind 2010 een geldbedrag van € 105.000,- van de klaagster heeft geleend, en dat hij in afwijking van deze eerdere verklaringen in de onderhavige klaagschriftprocedure heeft gesteld dat hij het geld van zijn ouders ter bewaring had gekregen om het in een kluis te bewaren. Door te wijzen op de wisselende verklaringen die zoon van de klaagster omtrent het geld heeft afgelegd, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat dat niet met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de klaagster als enige eigenaresse van het geldbedrag heeft te gelden. Uit voornoemde feiten en omstandigheden vloeit mijns inziens eerder het tegendeel voort, namelijk dat de zoon van de klaagster over het geld kon beschikken en dus feitelijk rechthebbende lijkt te zijn van het geldbedrag. Blijkens de in de bestreden beschikking gegeven motivering heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk, en behoeft in het licht van het summiere karakter van de onderhavige procedure geen verdere motivering. Voor het overige, en dan doel ik op hetgeen de steller van het middel onder 1.3 in de cassatieschriftuur met betrekking tot de verhouding tussen lener en eigenaar heeft opgeworpen, berust het middel op een onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen.
3.4. Het middel faalt duidelijk en rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG