Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Aanhoudingsverzoek m.b.t. betwisting periode waarin betrokkene feit…

Zaakgegevens

Op 19 juni 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 juni 2018
Datum publicatie
16 oktober 2018
Zaaknummer
17/01132
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1160
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Aanhoudingsverzoek m.b.t. betwisting periode waarin betrokkene feit in hoofdzaak heeft gepleegd. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/01131.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2018:1160

  2. Hoge Raad · 16 oktober 2018

    ECLI:NL:HR:2018:1937

Conclusie

Nr. 17/01132 P

Zitting: 19 juni 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 21 februari 2017 bevestigd het vonnis van de rechtbank waarbij het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 25.263,22 en aan de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/01131. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en mr. T.S.S. Overes, advocaat te Leiden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel is gelijkluidend aan het tweede middel in de hoofdzaak waarin ik vandaag ook concludeer. Het ziet op het verzoek om aanhouding van de zaken teneinde de verdachte/betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn aanwezigheid in Polen voor een groot gedeelte van de tenlastegelegde periode met stukken te onderbouwen. In zowel de hoofd- als de ontnemingszaak heeft het hof dit verzoek afgewezen.

5. Dit aanhoudingsverzoek houdt verband met het betwisten van de periode waarin de verdachte/betrokkene het feit in de hoofdzaak zou hebben gepleegd en hoort daarom ook (alleen) thuis in de hoofdzaak. Overigens verwijs is naar mijn opmerkingen omtrent het tweede middel in de hoofdzaak.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG