Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelict. Falend middel over de overschrijding van de redelijke termijn in…
ECLI:NL:PHR:2018:380 · Parket bij de Hoge Raad · 6 februari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2018-380
Zaakgegevens
Op 6 februari 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 februari 2018
- Datum publicatie
- 24 april 2018
- Zaaknummer
- 16/03952
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:380
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit Opiumwetdelict. Falend middel over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/03950 en 16/03951.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 februari 2018deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2018:380
Hoge Raad · 24 april 2018
ECLI:NL:HR:2018:656
Conclusie
|
Nr. 16/03952 P Zitting: 6 februari 2018 (bij vervroeging) |
Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [betrokkene 3] |
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 25 juli 2016 het door de betrokkene behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 10.014,09 en hem de verplichting opgelegd om een bedrag van € 9.014,09 aan de Staat te betalen.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/03950 P en 16/03951 P. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de bespreking van de geconstateerde schending van de redelijke termijn uitsluitend heeft gelet op de overschrijding in hoger beroep, terwijl het verweer inhield dat ook in eerste aanleg de redelijke termijn was geschonden.
5. Uitgaande van de in de schriftuur weergegeven overwegingen uit ’s hofs arrest, kan aan de steller van het middel worden toegegeven dat het prima vista lijkt alsof het hof uitsluitend acht heeft geslagen op de periode die is verstreken ná het instellen van het hoger beroep tot aan de dag waarop het hof uitspraak heeft gedaan.
6. Ik wijs er in dit verband echter op dat het hof in de weergave van het verweer niet rept van alleen de fase in het hoger beroep, maar ook na de overweging aangaande de fase van het hoger beroep uitspraken doet over de redelijke termijn in het algemeen, waaronder de fase van eerste aanleg is begrepen. Bovendien heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep op grond van de totale overschrijding van de redelijke termijn een korting bepleit ter hoogte van tien procent, terwijl het hof een korting hééft toegekend ter hoogte van € 1.000,- op (afgerond) 10.000,-. Het komt mij voor dat hieruit moet worden afgeleid dat het hof wel degelijk de duur van de procedure in eerste aanleg in aanmerking heeft genomen. Om die reden mist het middel feitelijke grondslag en kan het als zijnde kansloos niet tot cassatie leiden.
7. Gelet op deze constatering moet het tweede middel, dat klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, dat lot delen.
8. Ik stel mij op het standpunt dat de zaak met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan en dat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG