Strafrecht overig
Als leider deelnemen aan criminele organisatie die zich jarenlang bezighield met plegen van misdrijven…
ECLI:NL:PHR:2018:559 · Parket bij de Hoge Raad · 10 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2018-559
Zaakgegevens
Op 10 april 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 april 2018
- Datum publicatie
- 5 juni 2018
- Zaaknummer
- 17/00519
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:559
Samenvatting
Als leider deelnemen aan criminele organisatie die zich jarenlang bezighield met plegen van misdrijven (fraude met kinderopvangtoeslagen, sealbagfraude en witwassen) en diverse in dat verband begane strafbare feiten. Tegenstrijdigheid in p-v tz. in h.b., nu dit enerzijds vermeldt dat verdachte niet is verschenen doch anderzijds dat aan verdachte cautie is verleend. HR: art. 80a RO. CAG: Vermelding cautie kan worden aangemerkt als kennelijke schrijffout. Samenhang met 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/03078 en 17/03080.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 april 2018deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2018:559
Hoge Raad · 5 juni 2018
ECLI:NL:HR:2018:839
Conclusie
|
Nr. 17/00519 Zitting: 10 april 2018 |
Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Bij arrest van 18 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het eindvonnis van de rechtbank Overijssel van 1 december 2014 bevestigd voor zover de verdachte daarin wegens – kort gezegd – 1. medeplegen van het in een authentieke akte doen opnemen van een valse opgave, meermalen gepleegd, 2. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 3. valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 4. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, 5. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest, zulks met overneming van gronden en de opgelegde straf. Wat betreft de bewezenverklaring van feit 6 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken en van medeplegen van witwassen een gewoonte maken” en feit 7 “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en in zoverre opnieuw rechtgedaan, omdat het de vordering tot wijziging van de tenlastelegging van die feiten heeft toegelaten, en beslissingen genomen ten aanzien van drie benadeelde partijen met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/03078 en 17/03080. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt namens de verdachte, die dat kennelijk zelf niet meer weet, dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2016 tegenstrijdig is over zijn aanwezigheid op die terechtzitting. Zo vermeldt – aldus de toelichting op het middel – dat proces-verbaal enerzijds dat de verdachte toen niet is verschenen, dat de raadsvrouw ter terechtzitting aanwezig is en heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren en dat aan de raadsvrouw het recht wordt gelaten het laatst te spreken, doch anderzijds dat de voorzitter de verdachte vermaant oplettend te zijn etc. en de verdachte meedeelt dat deze niet tot antwoorden verplicht is. Vanwege “het belang van deze tegenstrijdigheid”, zou de gestelde onjuistheid een verzuim zijn dat tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en daarmee tot nietigheid van het arrest moet leiden.
5. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 7 december 2016 – waaruit blijkt dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen, dat de raadsvrouw heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren en voorts het woord tot verdediging heeft gevoerd en dat de raadsvrouw het recht heeft gekregen het laatste woord te voeren –, ben ik van mening dat het er in cassatie zonder meer voor kan worden gehouden dat de verdachte niet aanwezig was ter terechtzitting en dat de vermelding van de cautie aan de verdachte per abuis in het proces-verbaal is opgenomen en als een kennelijke schrijffout valt aan te merken.
6. Het voorgaande brengt mee dat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden, zodat het een behandeling van het beroep in cassatie niet rechtvaardigt.Het beroep dient daarom gezien art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG