Strafrecht overig
Conclusie AG over het mindering brengen van de in voorarrest doorgebrachte tijd op een opgelegde…
ECLI:NL:PHR:2018:59 · Parket bij de Hoge Raad · 30 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2018-59
Zaakgegevens
Op 30 januari 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 januari 2018
- Datum publicatie
- 29 januari 2018
- Zaaknummer
- 16/01483
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:59
Samenvatting
Conclusie AG over het mindering brengen van de in voorarrest doorgebrachte tijd op een opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Conclusie
|
Nr. 16/01483 Zitting: 30 januari 2018 |
Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
-
Bij arrest van 15 maart 2016 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte in de zaak met het parketnummer 10-712533-11 wegens 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en 2 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en in de zaak met het parketnummer 10-710091-10 wegens 3 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” en 4 “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
-
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
-
Uit de stukken van het geding blijkt dat de verdachte in de zaak met het parketnummer 10-710091-10 van 21 mei 2010 tot 28 mei 2010 preventief gehecht is geweest. Het hof heeft aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het hof toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 27 Sr.
5. In art. 27 Sr is bepaald dat de rechter bij het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de uitspraak (onder meer) in verzekering of voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Art. 27 Sr betekent voor een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf dat de in die bepaling bedoelde detentietijd in mindering wordt gebracht op de vrijheidsstraf, voor zover die wordt ten uitvoer gelegd. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft daarover in een recent arrest klare wijn geschonken:
“Ingevolge art. 27 lid 1 Sr heeft de rechter bij het opleggen van tijdelijke vrijheidsstraffen de verplichting te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit bevel tot aftrek van voorarrest ziet ook op de gevangenisstraf ten aanzien waarvan de rechter met toepassing van art. 14a Sr heeft bepaald dat die straf of een gedeelte daarvan onder voorwaarden niet zal worden tenuitvoergelegd.”
6. Het hof, dat de verdachte heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, heeft verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr. Daarover klaagt het middel terecht.
7. Tot cassatie behoeft het voorafgaande evenwel niet te leiden. Ik zie geen grond af te wijken van de lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad, die inhoudt dat ingeval is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr onvoldoende in rechte te respecteren belang bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Er bestaat immers de mogelijkheid tot het wijzen van een herstelarrest, terwijl in geval van het achterwege blijven van een herstelbeslissing, gelet op het hiervoor genoemde arrest van maart 2017, sprake is van een voor een ieder evidente vergissing op grond waarvan de uitspraak in die zin verbeterd moet worden gelezen, dat de bedoelde aftrek wel is bevolen. Bij de (eventuele) tenuitvoerlegging van de straf kan een redelijk handelend openbaar ministerie zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd.
8. In het licht van het voorafgaande, meen ik dat het middel strandt op het ontbreken van voldoende in rechte te respecteren belang.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG