Strafrecht overig

Oplichting (art. 326 Sr) en flessentrekkerij (art. 326a Sr) door recidiverende eetpiraat. In h.b. overgelegde…

Zaakgegevens

Op 12 juni 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 juni 2018
Datum publicatie
11 september 2018
Zaaknummer
16/06255
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:981
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Oplichting (art. 326 Sr) en flessentrekkerij (art. 326a Sr) door recidiverende eetpiraat. In h.b. overgelegde pleitnota bevindt zich niet bij stukken. Kunnen omstandigheid dat zich bij stukken wel een pleitnota (van e.a.) bevindt en overweging Hof dat in h.b. geen andere verweren zijn gevoerd dan in e.a., leiden tot achterwege blijven van nietigheid? De ttz. in h.b. door de raadsman overgelegde pleitnota ontbreekt bij de aan HR gezonden stukken. N.a.v. een door de raadsman (in cassatie) ex art. 4.8.2 Procesreglement HR gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangenomen dat die pleitnota niet meer beschikbaar zal komen. Niet valt na te gaan of ttz. meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar meer uos naar voren zijn gebracht dan de in het door Hof bevestigde vonnis van Rb genoemde. Dit onherstelbare verzuim brengt nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak mee. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 12 juni 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2018:981

  2. Hoge Raad · 11 september 2018

    ECLI:NL:HR:2018:1538

Conclusie

Nr. 16/06255

Zitting: 12 juni 2018

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 december 2016 het vonnis van 26 februari 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bevestigd met aanvulling van gronden. Bij dat vonnis was de verdachte wegens kort gezegd tweemaal oplichting en tweemaal flessentrekkerij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en was beslist over de vordering van de benadeelde partij als in het vonnis vermeld.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2016 nietig is, aangezien de door de raadsman bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken bevindt.

3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2016 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnota die door hem aan het hof is overgelegd.

3.2. De in dit proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Overeenkomstig het procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij faxbericht van 6 juli 2017 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van deze pleitnota. Desgevraagd is namens de voorzitter van het hof bij brief van 27 juli 2017 de Hoge Raad bericht dat deze pleitnota niet op het hof is achtergebleven.

3.3. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in gevallen als het onderhavige, waarin een pleitnota in het ongerede is geraakt ten gevolge waarvan niet valt na te gaan of ter terechtzitting (meer) verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht en dit verzuim blijkens bij het hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, dit zozeer in strijd wordt geacht met de behoorlijke procesorde dat het de nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

3.4. In het kader hiervan wijs ik erop dat uit de bestreden uitspraak volgt dat in hoger beroep geen andere verweren zijn aangevoerd dan in eerste aanleg. Deze uitspraak houdt hieromtrent in:

"(…)

De verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof in hoger beroep geen andere verweren aangevoerd dan in de eerste aanleg.

(…)"

3.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 februari 2015 houdt – voor zover van belang – in:

"(…)

De raadsman voert het woord tot verdediging, laatstgenoemde overeenkomstig de inhoud van een door hem overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

(…)"

3.6. Ook aan dit proces-verbaal is niet gehecht een pleitnota. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter wel een document vermoedelijk inhoudende pleitaantekeningen betreffende onderhavige zaak van de verdachte. Dit document vermeldt op de eerste pagina bovenaan enkel "[verdachte]" en "parketnummer 18/730187-13" en houdt in een betoog strekkende tot vrijspraak van de heer Nsangi. Nu dit document geen datum of gerecht inhoudt volgt hieruit niet ondubbelzinnig op welk onderzoek ter terechtzitting (eerste aanleg of hoger beroep) deze pleitaantekeningen betrekking hebben.

3.7. Desalniettemin kan gezien het voorgaande worden bepleit dat, ook indien ervan wordt uitgegaan dat het hiervoor onder 3.6 genoemde document inhoudende pleitaantekeningen niet de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota betreft maar de pleitnota die is overgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg, toch aan de hand van dit document zou kunnen worden afgeleid wat in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd. Het is dus maar de vraag of in dit specifieke geval door het ontbreken van de pleitnota in hoger beroep het gevolg intreedt wat de Hoge Raad zozeer in strijd acht met de behoorlijke procesorde, te weten dat niet valt na te gaan of ter terechtzitting (meer) verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht.

3.8. Dit alles in overweging genomen meen ik dat de zaak toch niet in stand kan blijven. Nu het onder 3.6 genoemde document niet fysiek is gehecht aan een van de processen-verbaal ter terechtzitting en ook niet ondubbelzinnig valt af te leiden of dit document op een terechtzitting betrekking heeft en zo ja welke, bijvoorbeeld door een zittingsdatum of gerechtelijke instantie in de aanhef dan wel door een aantekening van de griffier op dit document, valt niet met zekerheid vast te stellen dat dit document op een van de terechtzittingen is overgelegd. Derhalve doet zich de situatie voor dat niet valt na te gaan of ter terechtzitting (meer) verweren zijn gevoerd of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht, welk verzuim nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.

3.9. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. onder meer HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8142. Een kopie van deze pleitaantekeningen heb ik alsnog toegezonden aan de raadsman in cassatie en hem in de gelegenheid gesteld desgewenst hierop te reageren. Een reactie is bij de griffie van de Hoge Raad niet ingekomen.