Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 18/05113 J, 18/05141 P en 18/05183.

Zaakgegevens

Op 19 november 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 november 2019
Datum publicatie
14 januari 2020
Zaaknummer
19/00365
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:1400
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 18/05113 J, 18/05141 P en 18/05183.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 19 november 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2019:1400

  2. Hoge Raad · 14 januari 2020

    ECLI:NL:HR:2020:42

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00365

Zitting 19 november 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 27 november 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in de zaak met parketnummer 05-860821-13 veroordeeld wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 3, 7 en 8, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft (en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht) door middel van braak”, 5 en 6, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” en 9. “medeplegen van witwassen”. In de zaak met parketnummer 05-740115-13 is de verdachte veroordeeld wegens 1, 6 en 7, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en 3 en 5, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”. Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 31 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en ten aanzien van drie vorderingen van benadeelde partijen en aan de verdachte dienovereenkomstig schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

  2. De zaak hangt samen met de straf- en ontnemingszaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (18/05113 en 18/05141) en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] (18/05183), waarin ik vandaag ook concludeer.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.

4. Op 29 maart 2019 is de aanzegging uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op zijn BRP-adres ([a-straat 1] in [plaats]), waarbij is voldaan aan de BRP-controle. Het in de cassatieakte vermelde adres van de verdachte komt overeen met zijn BRP-adres. Op 4 april 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1º, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv, rechtsgeldig betekend.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 4 april 2019 volgt dat de verdachte op de dag van de uitreiking van de aanzegging op dat adres stond ingeschreven in de BRP. Deze houdt immers in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 26 mei 2015 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats]. Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 18 januari 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen.