Strafrecht overig
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 17/05550 en 17/05551.
Parket bij de Hoge Raad, 23 april 2019
ECLI:NL:PHR:2019:413 · Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-413
Zaakgegevens
Op 23 april 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2019
- Datum publicatie
- 16 april 2019
- Zaaknummer
- 17/05552
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:413
Samenvatting
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 17/05550 en 17/05551.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:3893Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:413
Hoge Raad · 18 juni 2019
ECLI:NL:HR:2019:965Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 17/05552 P Zitting: 23 april 2019 (bij vervroeging) |
Mr. D.J.M.W. Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] |
-
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 november 2017 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.787,21 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 17/05550 en 17/05551. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
-
Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de betrokkene geen middelen van cassatie voorgesteld.
-
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
-
Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG