Strafrecht overig

Opiumdelicten. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 17/03933.

Parket bij de Hoge Raad, 26 maart 2019

Zaakgegevens

Op 26 maart 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2019
Datum publicatie
11 juni 2019
Zaaknummer
17/03937
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:611
E-mail

Samenvatting

Opiumdelicten. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 17/03933.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 2 maart 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:469
  2. Conclusie A-G · 26 maart 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2019:611

  3. Hoge Raad · 11 juni 2019

    ECLI:NL:HR:2019:890

    Niet ontvankelijk

Conclusie

Nr. 17/03937

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 maart 2017 de verdachte wegens 1 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, 2 primair “medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, 3 primair “medeplegen van poging tot handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, 4 primair “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 5 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 7 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 17/03933. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG