Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2019:88 · Parket bij de Hoge Raad · 8 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-88
Zaakgegevens
Op 8 januari 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 januari 2019
- Datum publicatie
- 30 januari 2019
- Zaaknummer
- 17/04598
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:88
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 januari 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:88
Hoge Raad · 29 januari 2019
ECLI:NL:HR:2019:133
Conclusie
|
Nr. 17/04598 Zitting: 8 januari 2019 |
Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 “medeplegen van moord” en feit 2 primair “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.762,65 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04698, 17/04738, 17/05490 en 18/00253. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 16 februari 2018 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De daarvan opgemaakte akte van uitreiking is op 25 april 2018 door de Hoge Raad ontvangen. Pas toen heeft de strafadministratie van de Hoge Raad de advocaat die in cassatie namens de verdachte optreedt, daarover en over de aanvang van de termijn voor het indienen van een schriftuur, houdende middelen van cassatie, kunnen berichten. Gelet op deze gang van zaken, is daarop in overleg met de rolraadsheer beslist in deze zaak een nadere termijn te verlenen voor het indienen van de cassatieschriftuur, en wel tot en met 25 juni 2018. Ook binnen deze nadere termijn zijn evenwel namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn en de geboden nadere termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG