Strafrecht overig
Geen middelen ingediend; verdachte n-o. Samenhang met 17/05224.
ECLI:NL:PHR:2019:904 · Parket bij de Hoge Raad · 25 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-904
Zaakgegevens
Op 25 juni 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 juni 2019
- Datum publicatie
- 17 september 2019
- Zaaknummer
- 18/01968
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:904
Samenvatting
Geen middelen ingediend; verdachte n-o. Samenhang met 17/05224.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 juni 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:904
Hoge Raad · 17 september 2019
ECLI:NL:HR:2019:1360
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01968
Zitting 25 juni 2019
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven”, veroordeeld tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/05224 tegen de medeverdachte. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2 Ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is blijkens de akte van uitreiking op 11 juni 2018 in persoon uitgereikt aan de verdachte. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 10 augustus 2018. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.