Strafrecht overig

Conclusie AG. Middel bevat enkel de klacht dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de…

Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2019

Zaakgegevens

Op 24 september 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2019
Datum publicatie
19 september 2019
Zaaknummer
17/05740
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:913
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Middel bevat enkel de klacht dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. Samenhang met 15/05643, 17/05745, 18/00234 en 18/04966.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 september 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2019:913

  2. Hoge Raad · 29 oktober 2019

    ECLI:NL:HR:2019:1643

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05740

Zitting 24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. ”medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

  5. Het middel strekt er slechts toe te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee betreft het een klacht die onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.4.2. en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 214.