Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 8 andere zaken.

Zaakgegevens

Op 15 december 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 december 2020
Datum publicatie
16 februari 2021
Zaaknummer
19/02526
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:1263
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 8 andere zaken.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 21 mei 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:1747
  2. Conclusie A-G · 15 december 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2020:1263

  3. Hoge Raad · 16 februari 2021

    ECLI:NL:HR:2021:122

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02526

Zitting 15 december 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 21 mei 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A onder 1 ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen, een vervoermiddel en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’; onder 3 ‘medeplegen van witwassen’; onder 4 ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ alsmede in zaak B onder 1 ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ en onder 2 ‘medeplegen van een reisdocument vervalsen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de onttrekking aan het verkeer bevolen van een jerrycan.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02502, 19/02496, 19/02490, 19/02618, 19/02620, 19/02621, 19/02501 en 19/02503. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op vrijdag 1 mei 2020 niet in persoon betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.

  4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

  5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG