Strafrecht overig
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 18/02452 P, 18/02351 P, 18/02352, 18/02973 P, 18/02977…
ECLI:NL:PHR:2020:304 · Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2020-304
Zaakgegevens
Op 11 februari 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2020
- Datum publicatie
- 30 maart 2020
- Zaaknummer
- 18/02519
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2020:304
Samenvatting
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 18/02452 P, 18/02351 P, 18/02352, 18/02973 P, 18/02977 en 19/02150.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 februari 2020deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2020:304
Hoge Raad · 31 maart 2020
ECLI:NL:HR:2020:548
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/02519
Zitting 11 februari 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 23 mei 2018 de verdachte wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3. “witwassen, meermalen gepleegd”, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dit was gericht tegen enkele deelvrijspraken en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van het voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 18/02351, 18/02352, 18/02452, 18/02973, 18/02977 en 19/02150. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden