Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit valsheid in geschrift en deelnemen aan criminele organisatie. Geen middelen…

Zaakgegevens

Op 21 januari 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21 januari 2020
Datum publicatie
20 april 2020
Zaaknummer
18/04342
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:399
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit valsheid in geschrift en deelnemen aan criminele organisatie. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04344, 18/04345 P, 18/04967, 18/04968, 18/04971 P, 18/04972 en 18/04974.

Procesgang

  1. Rechtbank Midden-Nederland · 20 mei 2016

    ECLI:NL:RBMNE:2016:4079
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 juni 2018

    ECLI:NL:GHARL:2018:5574

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 21 januari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2020:399

  4. Hoge Raad · 21 april 2020

    ECLI:NL:HR:2020:574

    Niet ontvankelijk

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04342 P

Zitting 21 januari 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[betrokkene] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de betrokkene.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 6 juni 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 469.577,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

  2. De zaak hangt samen met de zaken met nummers 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04344, 18/04345, 18/04967, 18/04968, 18/04971, 18/04972 en 18/04974. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Tegen de uitspraak is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld.

  4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 31 januari 2019 betekend. Mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft zich in cassatie als raadsman van de betrokkene gesteld en is tijdig, bij brief van 6 februari 2019, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden verstreek op 1 april 2019. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

  5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.

  6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG