Strafrecht overig
Aanvulling op de vordering tot cassatte in het belang der wet (19/04910 CW) van de PG: herstel van de omissie…
Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2020
ECLI:NL:PHR:2020:9 · Parket bij de Hoge Raad · 7 januari 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2020-9
Zaakgegevens
Op 7 januari 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 januari 2020
- Datum publicatie
- 6 januari 2020
- Zaaknummer
- 19/04910
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2020:9
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvulling op de vordering tot cassatte in het belang der wet (19/04910 CW) van de PG: herstel van de omissie te verwijzen naar Fernandes de Oliveira t. Portugal [GK], 31 januari 2019, nr. 78103/14.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/04910 CW
Zitting 7 januari 2020
AANVULLING OP DE VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
J. Silvis
In de zaak
[de arts],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de arts.
1. In de op 17 december 2019 ingediende vordering tot cassatie in het belang der wet (19/04910 CW) is door mij verzuimd bij de aanhaling van een kamerarrest van het EHRM te vermelden dat door verwijzing naar de Grote Kamer van het EHRM dat arrest was vervallen. Ik verzoek uw Raad deze tekortkoming door mij op eenvoudige wijze te laten herstellen door paragraaf 4.14 van de ingediende vordering aan te vullen. Voor de in de vordering ingenomen stellingen heeft deze hierna cursief weergegeven aanvulling geen enkel gevolg. De betreffende paragraaf komt door deze wijziging als volgt te luiden:
In algemene termen geeft het Hof in de zojuist aangehaalde zaak (par. 68) aan dat uit de positieve verplichting die op de Staat rust om het leven te beschermen, voortvloeit dat er effectief werkende systemen van gezondheidszorg en recht moeten zijn. Daarbij wordt ook de behandeling van strafzaken binnen een redelijke termijn benadrukt. Deze uitgangspunten van het unanieme oordeel van een kamer van het EHRM zijn na verwijzing naar de Grote Kamer bevestigd (Fernandes de Oliveira, v.Portugal, 31 januari 2019, nr. 78103/14). Er moet in dit geval rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de patiënt door een geestelijke stoornis niet in staat was rationeel weloverwogen te kiezen voor zelfdoding (par. 124). Maar de Grote Kamer oordeelde over de civiele aansprakelijkheid, anders dan de kamer, dat Portugal materieel niet in gebreke is gebleven de positieve verplichtingen tot bescherming van het leven na te komen, omdat het acute risico van de zelfdoding onvoldoende specifiek kenbaar was voor de autoriteiten om in dit geval tot actief ingrijpen te verplichten. De Grote Kamer achtte, evenals de kamer eerder, de redelijke termijn ten nadele van klager geschonden. Die redelijke termijn is niet alleen van belang voor een verdachte in een zaak, maar ook voor de kwaliteit van de rechtsorde in relatie tot de te beschermen rechtsbelangen (artikel 6 EVRM en artikel 2 EVRM, procedureel). In de wetsgeschiedenis van de Wtl is de naleving van de redelijke termijn bij de vervolging in euthanasie-zaken aan de orde gekomen. Bij de beantwoording van Kamervragen over ‘de redelijke termijn’ is ervan uitgegaan dat het begin van de redelijke termijn ligt bij het moment dat er sprake is van een ‘criminal charge’. Dat is het geval vanuit het perspectief van een verdachte.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden