Strafrecht overig
Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), poging tot oplichting (art. 326 Sr) en begunstiging (art. 189.1.1 Sr)…
Parket bij de Hoge Raad, 8 september 2020
ECLI:NL:PHR:2020:979 · Parket bij de Hoge Raad · 8 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2020-979
Zaakgegevens
Op 8 september 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 september 2020
- Datum publicatie
- 23 oktober 2020
- Zaaknummer
- 19/03360
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2020:979
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), poging tot oplichting (art. 326 Sr) en begunstiging (art. 189.1.1 Sr) door zich voor te doen als bestuurder van auto, die betrokken was bij verkeersongeval, en in die hoedanigheid in strijd met waarheid aanrijdingsformulier in te vullen en naar haar verzekeraar te sturen. Heeft hof door vonnis Rb te bevestigen in strijd met art. 359.2 Sv verzuimd gemotiveerd te beslissen op beroep van raadsman op overschrijding redelijke termijn in e.a.? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 19/03381.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 september 2020deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2020:979
Hoge Raad · 27 oktober 2020
ECLI:NL:HR:2020:1643
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/03360
Zitting 8 september 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
-
De verdachte is bij arrest van 10 juli 2019 door het Gerechtshof Den Haag, dat het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 september 2017 heeft bevestigd, wegens 1. ‘valsheid in geschrift’, 2. ‘poging tot oplichting’ en 3. ‘opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf, hem behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie’ veroordeeld tot 80 uren taakstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis, en 1 maand gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij zijn twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.
-
Er bestaat samenhang met zaak 19/03381. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de redelijke termijn is geschonden.
-
De steller van het middel wijst op het volgende in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting opgenomen onderdeel van het pleidooi in hoger beroep:
‘Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.’
6. Het arrest van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:
‘Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep – waaronder ook de kennisneming van de verhoren van de getuigen bij de raadsheer-commissaris – heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden verbetering aanbrengt.
Hetgeen is vermeld op p. 5 van het vonnis waarvan beroep onder het kopje “Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]” en onder het kopje “Strijd met artikel 6, derde lid, onder d EVRM?” komt te vervallen nu de raadsman van de verdachte dit verzoek en dit standpunt ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft herhaald.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder voornoemde verbetering te worden bevestigd.’
7. Het vonnis van de rechtbank houdt ten aanzien van de strafoplegging – voor zover van belang – in:
‘De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren rechtvaardigt. De rechtbank houdt rekening met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en acht, alles afwegend, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden.’
8. In HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM vervatte recht op berechting binnen een redelijke termijn. Hij hoeft in zijn uitspraak alleen in bepaalde gevallen te doen blijken van dat onderzoek. Daaronder ressorteert het geval dat ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, ‘aangezien op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven’ (rov. 3.8).
9. Het hof is er kennelijk vanuit gegaan dat de raadsman met de betreffende zin heeft gedoeld op het tijdsverloop voorafgaand aan het moment waarop vonnis is gewezen. Die uitleg is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de tenlastegelegde feiten zich in de eerste helft van 2013 hebben afgespeeld en dat het vonnis van de rechtbank dateert van 4 september 2017. Het hoger beroep is ingesteld op 8 september 2017 en het hof wees arrest op 10 juli 2019; dat is binnen een periode van twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld. Ik wijs er daarbij op dat de uitleg van een in hoger beroep gevoerd verweer of uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is voorbehouden aan de feitenrechter. Het door het hof met overneming van gronden bevestigde vonnis houdt een overweging in over het tijdsverloop voorafgaand aan het moment waarop vonnis is gewezen. Daarmee heeft het hof duidelijk gemaakt hoe het tijdsverloop de opgelegde straf heeft beïnvloed.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden