Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met zaak 19/03630.

Parket bij de Hoge Raad, 30 maart 2021

Zaakgegevens

Op 30 maart 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30 maart 2021
Datum publicatie
21 mei 2021
Zaaknummer
19/03735
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:498
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met zaak 19/03630.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 1 augustus 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:3187
  2. Conclusie A-G · 30 maart 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2021:498

  3. Hoge Raad · 25 mei 2021

    ECLI:NL:HR:2021:766

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03735

Zitting 30 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 1 augustus 2019 door het Gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A onder 1. ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’, in zaak A onder 3. ‘poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ en in zaak B onder 2. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot 3 jaren en 11 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft voorts de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen gelast, een vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft twee andere benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot schadevergoeding.

  2. Er bestaat samenhang met zaak 19/03630. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 18 december 2019 betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG