Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit verduistering. Raadsman heeft 1 schriftuur ingediend voor strafzaak en…
ECLI:NL:PHR:2021:595 · Parket bij de Hoge Raad · 20 april 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-595
Zaakgegevens
Op 20 april 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 april 2021
- Datum publicatie
- 11 juni 2021
- Zaaknummer
- 19/01688
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:595
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit verduistering. Raadsman heeft 1 schriftuur ingediend voor strafzaak en ontnemingszaak. Bevat schriftuur in ontnemingszaak cassatiemiddel a.b.i. de wet? Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van bestreden uitspraak in ontnemingszaak voor het geval dat middelen in hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat o.g.v. art. 6:1:16.2 Sv uitspraak op vordering van OM tot oplegging van verplichting geldbedrag aan staat te betalen ter ontneming van w.v.v. pas kan worden tenuitvoergelegd nadat veroordeling a.b.i. art. 36e Sr onherroepelijk is geworden. Verder vervalt o.g.v. art. 511i Sv uitspraak op vordering van OM a.b.i. art. 36e Sr van rechtswege doordat en v.zv. uitspraak als gevolg waarvan veroordeling van verdachte a.b.i. art. 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR:1998:ZD1016). Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 19/01690.
Procesgang
Uitspraak · 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:2677Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 april 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:595
Hoge Raad · 15 juni 2021
ECLI:NL:HR:2021:846
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01688 P
Zitting 20 april 2021
(bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 20 maart 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 171.659,46 en de verplichting tot betaling aan de staat op nihil gesteld.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (19/01690). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht heeft in de ontnemingszaak het standpunt ingenomen dat het arrest in de ontnemingszaak dient te worden vernietigd aangezien de veroordeling in de strafzaak niet in stand kan blijven.
4. Voor zover hetgeen in de schriftuur wordt aangevoerd met betrekking tot de ontnemingszaak al is aan te merken als een middel, voldoet het niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. Het is vaste rechtspraak dat een cassatiemiddel een stellige en duidelijke klacht betreft over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. In een ontnemingszaak kan derhalve niet worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de hoofdzaak noodzakelijkerwijs moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. In dat geval moet het voorschrift van artikel 557 lid 4 Sv (oud) jo artikel 511i Sv uitkomst bieden. Het namens de betrokkene aangevoerde is niet aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van artikel 437 lid 2, in verbinding met artikel 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden