Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, Ve n-o. Samenhang met 19/02986 en 19/02994.

Zaakgegevens

Op 18 mei 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 mei 2021
Datum publicatie
25 juni 2021
Zaaknummer
19/02987
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:645
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen middelen ingediend, Ve n-o. Samenhang met 19/02986 en 19/02994.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 mei 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2021:645

  2. Hoge Raad · 29 juni 2021

    ECLI:NL:HR:2021:990

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02987

Zitting 18 mei 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens:

(i) in de zaak met parketnummer 01-194830-17 “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”;

(ii) in de zaak met parketnummer 01-196500-17 “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”;

(iii) in de zaak met parketnummer 01-198645-17 “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”;

(iv) in de zaak met parketnummer 01-200392-17 de eendaadse samenloop van 1. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen” en 2. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”;

(v) in de zaak met parketnummer 01-201745-17 “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”;

(vi) in de zaak met parketnummer 01-202565-17 de eendaadse samenloop van 1. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen” en 2. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering”,

veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. De vordering tot de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf heeft het hof afgewezen.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02986 en 19/02994. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Het beroep in cassatie is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie voorgesteld.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen en kan de verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in deze zaak niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG