Strafrecht overig
Geen middelen ingediend, Ve n-o. Samenhang met 19/02986 en 19/0286.
ECLI:NL:PHR:2021:646 · Parket bij de Hoge Raad · 18 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-646
Zaakgegevens
Op 18 mei 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 mei 2021
- Datum publicatie
- 25 juni 2021
- Zaaknummer
- 19/02994
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:646
Samenvatting
Geen middelen ingediend, Ve n-o. Samenhang met 19/02986 en 19/0286.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 mei 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:646
Hoge Raad · 29 juni 2021
ECLI:NL:HR:2021:991
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02994
Zitting 18 mei 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
-
De verdachte is bij arrest van 19 juni 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens de eendaadse samenloop van 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering” en 2. “In een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen, met aftrek van het voorarrest.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 19/02986 en 19/02987. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
-
Het beroep in cassatie is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie voorgesteld.
-
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen en kan de verdachte in het cassatieberoep niet worden ontvangen.
-
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in deze zaak niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden