Strafrecht overig
Diefstal in vereniging d.m.v. braak, art. 311 Sr. Ontbrekende bewijsmiddelen. Bestreden arrest bevat niet de…
Parket bij de Hoge Raad, 25 mei 2021
ECLI:NL:PHR:2021:677 · Parket bij de Hoge Raad · 25 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-677
Zaakgegevens
Op 25 mei 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 mei 2021
- Datum publicatie
- 2 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/02176
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:677
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Diefstal in vereniging d.m.v. braak, art. 311 Sr. Ontbrekende bewijsmiddelen. Bestreden arrest bevat niet de op straffe van nietigheid voorgeschreven b.m. houdende voor de bewezenverklaring redengevende f&o. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Uitspraak · 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:6423Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 mei 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:677
Hoge Raad · 6 juli 2021
ECLI:NL:HR:2021:981
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02176
Zitting 25 mei 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 24 juli 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3. ten laste gelegde, vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde, en wegens onder 2. en 4. telkens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts is de teruggave aan de verdachte van een in beslag genomen geldbedrag gelast, en heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat de aanvulling bewijsmiddelen ontbreekt en dat daarom de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
4. Bij faxbericht van 18 september 2020 heeft verdachtes raadsman zich overeenkomstig art. 4.3.6.3. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gericht tot de rolraadsheer met het verzoek de processtukken te doen aanvullen met de bij de processtukken ontbrekende aanvulling bewijsmiddelen.
5. In het onderhavige geval heeft het hof een verkort arrest gewezen in de in art. 138b Sv bedoelde zin. Ingevolge het bepaalde in art. 415 lid 1 in verbinding met art. 365a Sv wordt een verkort arrest in geval van beroep in cassatie aangevuld met bewijsmiddelen.
6. In een begeleidend schrijven bij de toezending van het strafdossier aan de Hoge Raad heeft de griffier van het hof het volgende bericht:
“(...)
Bij de uitwerking ten behoeve van cassatie is gebleken dat het bij deze zaak behorende politieonderzoek kennelijk zoek is geraakt bij de verwerking van het dossier na de zitting in hoger beroep. Zoekacties nadien hebben helaas geen resultaat opgeleverd.
Om deze reden is de zaak niet volledig uitgewerkt; de bewijsaanvulling kon niet worden opgemaakt.
(...)”
7. Nu het hof in strijd met art. 359, derde en achtste lid, Sv geen bewijsmiddelen heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
8. Het middel slaagt.
9. Het voorgaande betekent dat het tweede middel buiten bespreking kan blijven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden