Strafrecht overig
Profijtontneming, w.v.v. uit diefstal en oplichting. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met…
ECLI:NL:PHR:2021:706 · Parket bij de Hoge Raad · 1 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-706
Zaakgegevens
Op 1 juni 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 juni 2021
- Datum publicatie
- 12 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/01233
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:706
Samenvatting
Profijtontneming, w.v.v. uit diefstal en oplichting. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met constatering dat redelijke termijn in h.b. is overschreden op de grond dat zaak in eerste aanleg voortvarend is behandeld? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/01232.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 24 maart 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:1148Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 juni 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:706
Hoge Raad · 13 juli 2021
ECLI:NL:HR:2021:1128
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01233 P
Zitting 1 juni 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 24 maart 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 14.805,13 en aan de betrokkene ter ontneming van dat voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak 20/01232. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
4. Met het middel wordt opgekomen tegen de motivering van het oordeel over het rechtsgevolg dat moet worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep.
5. Het hof heeft in het bestreden arrest voor zover relevant voor de bespreking van dit middel overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020 heeft de verdediging bepleit dat op een eventueel op te leggen betalingsverplichting € 5.000 in mindering wordt gebracht in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De vordering van het openbaar ministerie dateert van 6 juni 2016. De rechtbank heeft op de vordering beslist op 30 juni 2016. Het hoger beroep is ingesteld op 14 juli 2016 en het hof doet uitspraak op 24 maart 2020. Daarmee is de redelijke termijn in de procedure in hoger beroep overschreden. Uitgaande van een redelijke termijn van behandeling van twee jaren per instantie, wordt de overschrijding bij de behandeling in hoger beroep gecompenseerd door de voortvarende behandeling in eerste aanleg en kan met de voormelde constatering worden volstaan. Daar komt nog bij dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak reeds tot strafvermindering heeft geleid.”
6. De stellers van het middel komen op tegen het oordeel van het hof dat volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden op de grond dat de zaak in eerste aanleg voortvarend is behandeld. Het oordeel van het hof berust volgens de stellers van het middel op de opvatting dat de ‘tijdwinst’ in eerste aanleg mag worden meegewogen bij het bepalen van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof had echter bijzondere omstandigheden moeten aanwijzen op grond waarvan een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zonder gevolg kan blijven. Verwijzing naar een voortvarende afdoening in eerste aanleg, terwijl wél een schending van de redelijke termijn in appel wordt geconstateerd, is daarvoor niet genoeg, aldus de stellers van het middel.
7. Deze klacht is op zichzelf terecht voorgesteld. Een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep kan niet (volledig) worden gecompenseerd door de voortvarendheid waarmee de zaak in eerste aanleg is afgedaan. Inderdaad moet bij de bepaling van het rechtsgevolg dat wordt verbonden aan een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep in het oog worden gehouden dat de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep geen communicerende vaten zijn. De duur van het hoger beroep zal zelfstandig op zijn redelijkheid moeten worden beoordeeld. Met de eisen van een eerlijk proces is niet verenigbaar dat het hof de door de rechtbank op de redelijke termijn ingelopen tijd simpelweg optelt bij de termijn die in hoger beroep initieel nog voor redelijk doorgaat.
8. Het voorgaande neemt overigens niet weg dat het hof bij het bepalen van de mate van compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep als één van meer factoren de totale duur van de berechting in eerste en tweede aanleg in aanmerking mag nemen.
9. Hoewel het middel terecht is voorgesteld, hoeft dat naar mijn inzicht niet tot cassatie te leiden. Het hof heeft namelijk – weliswaar ten overvloede, maar toch – met juistheid overwogen “dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak reeds tot strafvermindering heeft geleid.” Het oordeel van het hof dat kan worden volstaan met de enkele constatering van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep, wordt gedragen door deze overweging ten overvloede.,
10. In die gelijktijdig bij Uw Raad aanhangige strafzaak heb ik overigens geconcludeerd tot verwerping van een klacht tegen een – in geringe mate uitgebreider geformuleerde – strafmaatoverweging omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden