Strafrecht overig
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. zich ophouden op openbare weg teneinde drugs te koop aan te bieden (art…
ECLI:NL:PHR:2021:712 · Parket bij de Hoge Raad · 1 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-712
Zaakgegevens
Op 1 juni 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 juni 2021
- Datum publicatie
- 14 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/03057
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:712
Samenvatting
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. zich ophouden op openbare weg teneinde drugs te koop aan te bieden (art. 2.7.2 APV Amsterdam 2008). Dubbel verstek. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Dient vermelding adres van moeder van verdachte in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen h.b. te worden aangemerkt als adresopgave a.b.i. art. 36g.1.c Sv, zodat afschrift van oproeping voor nadere tz. in h.b. naar dat adres had moeten worden verzonden? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Vermelding van adres in schriftelijke bijzondere volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als opgave door verdachte van adres in de zin van art. 36g.1.c Sv, waar hij afschrift van dagvaarding of oproeping wil ontvangen. Oproeping voor nadere tz. in h.b. is uitgereikt aan medewerker van OM, omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Er is geen afschrift van die oproeping verzonden naar adres in volmacht. Hof heeft blijkens p-v van nadere tz. in h.b. slechts vastgesteld dat oproeping op rechtsgeldige wijze is betekend en geen vaststellingen gedaan omtrent het (niet) toezenden van het afschrift. Uit p-v van die tz. blijkt niet dat hof zich ervan heeft vergewist of zich omstandigheid voordeed a.b.i. art. 36g.3 Sv, terwijl stukken hiervoor geen aanwijzing bevatten. Uit p-v van tz. blijkt evenmin dat hof de vraag onder ogen heeft gezien of kon worden aangenomen dat verdachte van dag van nadere tz. op de hoogte was dan wel geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Gelet hierop is ’s hofs beslissing om verstek te verlenen (en niet onderzoek ttz. te schorsen) niet z.m. begrijpelijk.
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 juni 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:712
Hoge Raad · 13 juli 2021
ECLI:NL:HR:2021:1129
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03057
Zitting 1 juni 2021
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
-
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 16 september 2020 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte, nu uit de stukken niet blijkt dat een afschrift van de dagvaarding is verzonden als bedoeld in art. 36g Sv en het hof geen onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of dit achterwege had kunnen blijven, noch naar de vraag of het achterwege laten hiervan reden had moeten geven om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen.
Art. 36g, eerste lid onder c Sv bepaalt dat de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel een adres kan opgeven waar hij een afschrift van de dagvaarding of oproeping wil ontvangen. Deze bepaling is gelijkluidend aan het voorheen geldende art. 588a Sv, dat nog van kracht was ten tijde van het instellen van het hoger beroep. Indien een verdachte door of namens wie zo’n adresopgave is gedaan niet ter zitting verschijnt, dient de rechter te controleren of de vereiste verzending heeft plaatsgevonden. Indien dit is verzuimd en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 36g, derde lid, dient de rechter het onderzoek ter terechtzitting te schorsen, tenzij de verdachte op de hoogte was van de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting dan wel kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid (art. 36n lid 3 aanhef en onder a en b Sv).
In deze zaak is door de raadsman van de verdachte in de tot de griffie gerichte volmacht voor het instellen van hoger beroep, gedateerd 21 augustus 2019 het volgende aangegeven:
“Cliënt verblijft thans uit andere hoofde in de Penitentiaire Inrichting Alphen, Eikenlaan 36 (2404 BR).
Dit is het adres waar hij in beginsel, immers, zolang hij daar verblijft, een afschrift van de dagvaarding wenst te ontvangen.
Als hij daar niet meer verblijft ontvangt bij een dagvaarding graag bij zijn moeder aan de [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] .”
Dit verzoek kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een opgave als hierboven onder 3.1 bedoeld.
De verdachte is in eerste instantie gedagvaard voor een terechtzitting op 17 maart 2020. Op dat moment lijkt ook nog van het opgegeven adres te zijn uitgegaan: hoewel zich tussen de stukken geen akte van uitreiking voor die zitting bevindt, vermeldt een kopie van de “dagvaarding van verdachte in hoger beroep” nog wel het opgegeven adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Deze terechtzitting is uiteindelijk echter blijkens het daarvan opgemaakte “proces-verbaal i.v.m. bijzondere omstandigheden” niet gehouden, vanwege de gedeeltelijke sluiting van de gerechten in verband met het COVID-19-virus. Vervolgens bevindt zich tussen de stukken ook nog een oproeping voor een zitting voor 10 juni 2020. Hierop is het opgegeven adres weggevallen. Ook deze zitting is kennelijk niet doorgegaan. Hierna is de verdachte opgeroepen voor een terechtzitting op 16 september 2020.
Blijkens de akte van uitreiking voor de oproeping voor de zitting van 16 september 2020, is echter geen afschrift van de dagvaarding verzonden naar het adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] , terwijl op dat moment blijkens een zich in het dossier bevindend informatieformulier van detentie geen sprake meer was.
Het hof heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 16 september 2020 slechts vastgesteld dat ‘de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend’ en geen vaststellingen gedaan omtrent het (niet) toezenden van het afschrift. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 september 2020 blijkt niet dat het hof zich ervan heeft vergewist of zich een omstandigheid voordeed als bedoeld in het derde lid van art. 36g Sv. De stukken bevatten hier overigens ook geen aanwijzing voor. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 september 2020 blijkt evenmin dat het hof de vraag onder ogen heeft gezien of kon worden aangenomen dat de verdachte van de dag van de nadere terechtzitting op de hoogte was dan wel geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. Gelet hierop is de beslissing van het hof om verstek te verlenen – en niet het onderzoek ter terechtzitting te schorsen – niet zonder meer begrijpelijk. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden