Strafrecht overig

Profijtontneming, w.v.v. uit hypotheekfraude. Verweer dat ontnemingsvordering moet worden afgewezen op de…

Parket bij de Hoge Raad, 29 juni 2021

Zaakgegevens

Op 29 juni 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 juni 2021
Datum publicatie
28 september 2021
Zaaknummer
20/00543
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:885
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit hypotheekfraude. Verweer dat ontnemingsvordering moet worden afgewezen op de grond dat in hoofdzaak onherroepelijk is geoordeeld dat betrokkene “meer financieel nadeel dan profijt heeft overgehouden aan bewezenverklaarde feiten”. Is hof in ontnemingszaak gebonden aan oordeel van hof in hoofdzaak dat betrokkene meer financieel nadeel dan voordeel heeft gehad? Klacht faalt op redenen vermeld in HR:2021:789.

Volgt verwerping. Samenhang met 20/00502 P. Vervolg op 15/00228 (niet gepubliceerd; strafzaak; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Procesgang

  1. Uitspraak · 2020

    ECLI:NL:GHARL:2020:1127
  2. Conclusie A-G · 29 juni 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2021:885

  3. Hoge Raad · 28 september 2021

    ECLI:NL:HR:2021:1393

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00543 P

Zitting 29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de betrokkene.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 februari 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 84.809,42. Na aftrek wegens een overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 74.809,42.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/05515, 19/05652, 19/05436, 19/05868, 19/05701 en 20/00502. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Bij de beoordeling van de middelen stuitte ik op het arrest van Uw Raad van 1 juni 2021 in de zaak met griffienummer 20/00533. Die zaak vertoont samenhang met de onderhavige zaak en met de overige zaken hierboven genoemd. Bovendien zijn de middelen die in de zaak met griffienummer 20/00533 zijn voorgesteld qua volgorde, vormgeving en inhoud nagenoeg identiek aan de middelen voorgesteld in de onderhavige zaak en eveneens afkomstig van mr. R. Zilver.

5. Ik volsta hier dan ook met een verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt in de zaak met griffienummer 20/00533. Op de gronden als genoemd in die conclusie moeten de middelen in de onderhavige zaak eveneens falen.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789. Op de inhoudelijke zitting van het hof van 22 januari 2020 zijn de zaken tegen de betrokkenen [betrokkene 1] (21-007048-15), [betrokkene] (21-007047- 15) en [betrokkene 2] (21-007046-15) gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld; zie p. 1 van voornoemd proces-verbaal. Deze samenhang is in de cassatieprocedure kennelijk – tot nu toe – deels onopgemerkt gebleven. Conclusie van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:297.