Strafrecht overig
Conclusie AG. Het middel, dat klaagt dat de aan het hof overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van…
Parket bij de Hoge Raad, 31 mei 2022
ECLI:NL:PHR:2022:484 · Parket bij de Hoge Raad · 31 mei 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2022-484
Zaakgegevens
Op 31 mei 2022 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 mei 2022
- Datum publicatie
- 19 mei 2022
- Zaaknummer
- 20/03898
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2022:484
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Het middel, dat klaagt dat de aan het hof overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De in het middel bedoelde pleitnota bevindt zich onder de stukken van het geding en is naar aanleiding van een namens de verdachte gedaan verzoek ter beschikking gesteld. Conclusie strekt tot verwerping.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 mei 2022deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2022:484
Hoge Raad · 12 juli 2022
ECLI:NL:HR:2022:998
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03898
Zitting 31 mei 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
-
De verdachte is bij arrest van 24 november 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. meer subsidiair “mishandeling” en 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft voorts beslissingen genomen omtrent de schorsing van de voorlopige hechtenis en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
-
Er bestaat samenhang met de zaak 20/03900. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
-
Namens de verdachte heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020 nietig is, aangezien de door de raadsvrouw bij die gelegenheid aan het hof overgelegde pleitnota zich niet (meer) bij de stukken van het geding bevindt.
-
De voor de beoordeling van het middel relevante gang van zaken is als volgt:
i) Namens de verdachte is op 17 mei 2021 per faxbericht – overeenkomstig het bepaalde in art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden – verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de in het middel bedoelde pleitnota.
ii) Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Griffier van de Hoge Raad aan de raadsman van de verdachte op 18 mei 2021 bericht dat een afschrift van de gevraagde pleitnota in het digitaal dossier is geplaatst en de raadsman van de verdachte daarvan een afschrift op papier ontvangt.
iii) Op 25 mei 2021 is de namens de verdachte ingediende cassatieschriftuur ingekomen met (enkel) het hiervoor in randnummer 4 weergegeven middel.
6. Gelet op het vorenstaande faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
7. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden