Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2023:160 · Parket bij de Hoge Raad · 7 februari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2023-160
Zaakgegevens
Op 7 februari 2023 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2023
- Datum publicatie
- 7 februari 2023
- Zaaknummer
- 21/00848
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:160
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00848
Zitting 13 december 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 15 februari 2021 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen" en “openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf voor de duur van 80 uur. Verder heeft het hof beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00680 en 21/00681. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
2 Ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is blijkens de akte van uitreiking op 15 december 2021 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 14 februari 2022. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolgde art. 437 lid 2 Sv niet in het cassatieberoep worden ontvangen.
3 Conclusie
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG