Strafrecht overig
Conclusie plv. AG. Veroordeling wegens 1. medeplichtigheid tot opzettelijk telen van hennep (art. 3 onder B…
ECLI:NL:PHR:2023:926 · Parket bij de Hoge Raad · 17 oktober 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2023-926
Zaakgegevens
Op 17 oktober 2023 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 oktober 2023
- Datum publicatie
- 16 oktober 2023
- Zaaknummer
- 22/00309
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:926
Samenvatting
Conclusie plv. AG. Veroordeling wegens 1. medeplichtigheid tot opzettelijk telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet) en 2. medeplegen van het opzettelijk telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet). 1. Middel over onjuiste beëdiging raadsheren gerechtshof en 2. middel over onjuiste beëdiging advocaat-generaal hof. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 22/00239 en 22/00284.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 januari 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:94Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 oktober 2023deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2023:926
Hoge Raad · 5 december 2023
ECLI:NL:HR:2023:1651
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00309
Zitting 17 oktober 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 17 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/00239 en 22/00284. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek beide middelen gezamenlijk.
De middelen
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat een of meer raadsheren die de zaak hebben behandeld en die verantwoordelijk zijn voor het arrest, niet (op een juiste wijze) waren beëdigd. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat de advocaatgeneraal die betrokken was bij de onderhavige zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 januari 2022, niet (op een juiste wijze) was beëdigd.
Beide middelen kunnen niet slagen, gelet op de gronden vermeld in HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7, wat betreft de raadsheren, en 5.10.1 tot en met 5.10.3, wat betreft de advocaat-generaal.
Afronding
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG