Strafrecht overig
Conclusie plv. AG. Niet-ontvankelijkverklaring in h.b. o.g.v. art. 416 lid 2 Sv. Middel klaagt terecht over…
ECLI:NL:PHR:2024:1251 · Parket bij de Hoge Raad · 10 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2024-1251
Zaakgegevens
Op 10 december 2024 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 december 2024
- Datum publicatie
- 19 november 2024
- Zaaknummer
- 24/00346
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2024:1251
Samenvatting
Conclusie plv. AG. Niet-ontvankelijkverklaring in h.b. o.g.v. art. 416 lid 2 Sv. Middel klaagt terecht over de niet-inachtneming van de dagvaardingstermijn in hoger beroep (art. 413 lid 1 jo. 265 lid 3 Sv). Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00346
Zitting 10 december 2024
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1 Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2024 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
2 Het middel
Het middel klaagt dat de in artikel 413 lid 1 Sv voorgeschreven termijn tussen de dag waarop de dagvaarding is betekend en de dag van de terechtzitting niet in acht is genomen, zodat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2024 volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. De raadsvrouw van de verdachte is wel verschenen en heeft ter terechtzitting medegedeeld dat zij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Het proces-verbaal houdt voorts in:
“De voorzitter deelt mede dat er geen grieven zijn ontvangen.
De advocaat-generaal vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep. Het hof trekt zich terug voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat.
De voorzitter stelt vast dat de oproeping van de verdachte in hoger beroep op de juiste wijze is betekend.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2024 houdt niets is waaruit kan volgen dat de niet-gemachtigde raadsvrouw de gelegenheid heeft gehad te klagen over de betekening van de dagvaarding voor die terechtzitting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsvrouw die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de uitreiking van deze dagvaarding.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich onder meer:
(i) drie akten van uitreiking, betreffende een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om op 30 januari 2024 ter terechtzitting van het hof te verschijnen. De eerste akte houdt in dat op 21 december 2023 is geprobeerd die dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats]. De verdachte bleek niet (meer) op dat adres te wonen, dus de dagvaarding kon niet worden uitgereikt. De tweede akte houdt in dat de dagvaarding op 28 december 2023 is uitgereikt aan iemand (een secretaresse) die zich bevond op het adres [b-straat 1] te Rotterdam. De derde akte houdt in dat op 24 januari 2024 is vastgesteld dat de verdachte op de dag van eerste aanbieding (dus 21 december 2023) en 5 dagen daarna in de BRP stond ingeschreven op de [a-straat 1] te [plaats], dat de dagvaarding op die dag is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie en dat een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het op de akte vermelde adres, te weten de [a-straat 1] te [plaats].
(ii) een informatiestaat SKDB-persoon van 24 januari 2024 betreffende de verdachte. Deze informatiestaat houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en sinds 15 juni 2021 staat ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens op het adres [a-straat 1] te [plaats].
Artikel 413 lid 1 Sv schrijft voor dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de dag van de terechtzitting een termijn van ten minste tien dagen moet zijn verlopen. Wanneer deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen en de verdachte evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van deze termijn, moet de rechter het onderzoek schorsen. Dit blijkt uit artikel 265 lid 3 Sv, welke bepaling in artikel 413 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard.
De vraag die opkomt is wanneer de termijn van tien dagen is aangevangen. Het antwoord hierop is afhankelijk van de dag waarop de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. De uitreiking van 28 december 2023 op de [b-straat 1] te Rotterdam kan niet als zodanig gelden. Dit adres is opgenomen in de bij de akte rechtsmiddel gevoegde schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsvrouw van 3 augustus 2021 en betreft het kantooradres van de raadsvrouw. Dit adres heeft slechts te gelden als de opgave van een adres voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv. In deze zaak heeft zich niet de in die wetsbepaling voorziene situatie voorgedaan dat aanstonds na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een medewerker ter griffie. Van toezending van een afschrift in dat kader is dus geen sprake geweest.
Na de vergeefse aanbieding van de dagvaarding op het adres [a-straat 1] te [plaats] op 21 december 2023 is de uitreiking aan het Openbaar Ministerie, met afschrift aan de [a-straat 1] te [plaats], op 24 januari 2024 gelet op artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv wel rechtsgeldig.
Tussen de dag van de rechtsgeldige betekening van de dagvaarding op 24 januari 2024 en de dag van de terechtzitting op 30 januari 2024 zijn geen tien dagen verstreken, zoals voorgeschreven in artikel 413 lid 1 Sv. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte heeft ingestemd met een verkorting van de dagvaardingstermijn. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting gelet op artikel 265 lid 3 Sv dus moeten schorsen.
3 Slotsom
Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG