Strafrecht overig

Conclusie AG. Verdachte is in h.b. niet-ontvankelijk verklaard. Achteraf bezien is door het hof ten onrechte…

Zaakgegevens

Op 24 september 2024 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2024
Datum publicatie
18 september 2024
Zaaknummer
23/02186
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:966
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Verdachte is in h.b. niet-ontvankelijk verklaard. Achteraf bezien is door het hof ten onrechte verstek verleend omdat verdachte t.t.v. de behandeling van h.b. uit andere hoofde was gedetineerd. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 september 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2024:966

  2. Hoge Raad · 26 november 2024

    ECLI:NL:HR:2024:1704

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02186

Zitting 24 september 2024

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte

1 Het cassatieberoep

1.1

De verdachte is bij arrest van 15 mei 2023 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 september 2022, waarin hij wegens driemaal “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel (van) valse sleutels” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van de tijd als bedoeld in art. 27 Sr. De rechtbank heeft daarnaast een inbeslaggenomen stuk gereedschap verbeurd verklaard en beslist op de vordering van de benadeelde partij. Ook heeft de rechtbank in vier zaken de tenuitvoerlegging gelast van aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. van den Boogert, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het door het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt dat het hof – achteraf bezien – ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep werd vastgehouden in verband met zijn inverzekeringstelling en voorgeleiding bij de rechter-commissaris in een andere zaak, en hij dus niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

2.2

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2023 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte]
(…)

is niet ter terechtzitting verschenen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

De voorzitter deelt mede dat de raadsvrouw van de verdachte heden op voorhand per e-mail heeft laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen. Zij heeft omtrent de reden van haar niet-verschijnen – desgevraagd per e-mail van heden door de griffier – laten weten helaas geen nadere toelichting te kunnen geven waarom zij niet zal verschijnen.”

2.3

Als uitgangspunt geldt dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en noch de verdachte noch een bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat ten onrechte verstek is verleend tegen de verdachte, bijvoorbeeld omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.

2.4

In cassatie is door de raadsman van de verdachte – door middel van aanhechting aan de schriftuur – een bevel tot bewaring overlegd, inhoudende dat de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam op 15 mei 2023 een bevel tot bewaring heeft verleend ten aanzien van de verdachte.

2.5

Uit het hiervoor onder 2.4 vermelde stuk – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen, zodat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3 Slotsom

3.1

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.2

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie onder andere: HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m. nt. T.M.C.J. Schalken, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224. Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042.