Strafrecht overig
Conclusie AG. Fipronilzaak. Art. 174.1 Sr. Art. 43 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Handel in…
Parket bij de Hoge Raad, 30 september 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1057 · Parket bij de Hoge Raad · 30 september 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2025-1057
Zaakgegevens
Op 30 september 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 september 2025
- Datum publicatie
- 29 september 2025
- Zaaknummer
- 23/04828
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1057
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Fipronilzaak. Art. 174.1 Sr. Art. 43 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Handel in schadelijke waren, waarvan schadelijkheid is verzwegen, begaan door rechtspersoon en overtredingen Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door rechtspersoon. Falend middel over rechtsmacht OM, voor zover feiten (ook) in België zijn begaan. Tevens falend middel dat met een zestal deelklachten tegen bewezenverklaringen opkomt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/04829, 23/04831. 23/04975.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 29 november 2023
ECLI:NL:GHARL:2023:10065Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 september 2025deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2025:1057
Hoge Raad · 9 december 2025
ECLI:NL:HR:2025:1706
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04828 E
Zitting 30 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 29 november 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens 1 primair “medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, 2 en 3 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” alsmede 4 en 5 “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 20.000,00 met een proeftijd van één jaar. Het hof heeft tevens beslist op het beslag.
Deze zaak hangt samen met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (23/04829 E), [medeverdachte 2] (23/04975 E) en [medeverdachte 3] VOF (23/04831 E). In de samenhangende zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat in Ede, twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 De zaak
De zaak tegen de verdachte komt voort uit het onderzoek ‘Landseer’. Dat onderzoek houdt verband met de landelijk bekend geworden ‘fipronilcrisis’ uit 2017. In de zomer van dat jaar werd bekend dat miljoenen eieren uit Nederland besmet waren met het bestrijdingsmiddel ‘fipronil’. Dat bestrijdingsmiddel werd bij ongeveer 20% van alle pluimveehouders in Nederland gebruikt tegen bloedluis bij kippen. Het toepassen van dat middel was niet toegelaten bij voedselproducerende dieren. Aan de verdachte wordt onder meer verweten dat producten die dit bestrijdingsmiddel bevatten, zijn verhandeld en gebruikt, in de wetenschap dat die middelen schadelijk zijn voor het leven en de gezondheid, terwijl het schadelijk karakter is verzwegen.
3 De middelen van cassatie
Vanwege de overeenkomst in de schrifturen en de arresten van het hof in deze zaak en die in de zaak van [medeverdachte 3] VOF (23/04831 E), zal ik in deze zaak volstaan met de verwijzing naar mijn conclusie in de zaak tegen deze medeverdachte. Die conclusie is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1056.
4 Slotsom
De middelen falen en in ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG