Strafrecht overig
Conclusie AG. Opdracht geven tot en feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van art. 20 van de…
Parket bij de Hoge Raad, 2 december 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1319 · Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2025-1319
Zaakgegevens
Op 2 december 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 december 2025
- Datum publicatie
- 1 december 2025
- Zaaknummer
- 23/01093
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1319
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Opdracht geven tot en feitelijk leidinggeven aan medeplegen van overtreding van art. 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, opdracht geven tot en feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225 Sr) en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Bewijsklachten en klachten over het oordeel dat de procesvoering ‘eerlijk’ is geweest, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep.
Samenhang met 23/01102 en 23/01096.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 15 maart 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:1085Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 december 2025deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2025:1319
Hoge Raad · 31 maart 2026
ECLI:NL:HR:2026:503
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01093 E
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 maart 2023 (parketnummer 20-001123-16) het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 april 2016 bevestigd, met vervanging van de bewijsmotivering en met uitzondering van de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke voorschriften. De rechtbank had de bewezenverklaringen gekwalificeerd als: feit 1 primair “medeplegen van overtreding van artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, feit 2 “valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en feit 3 “medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 70.000,-.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/01102 en 23/01096. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. De zaak 23/01102 betreft de strafzaak tegen de enige bestuurder van de verdachte, die onder 1 en 2 (in die zaak) als opdrachtgever en feitelijke leidinggever is veroordeeld voor dezelfde misdrijven als waarvoor de verdachte onder 1 en 2 is veroordeeld, terwijl de verdachte en haar bestuurder beiden voor het onder 3 bewezen verklaarde, het gezamenlijk en met anderen medeplegen van valsheid in geschrift, is veroordeeld.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.B. Milo, advocaat in Tilburg, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Deze middelen zijn mutatis mutandis gelijk aan de middelen die hij in de zaak tegen de bestuurder van de verdachte heeft ingediend, terwijl zij zich op gelijke gronden keren tegen mutatis mutandis dezelfde beslissingen en motiveringen van het hof. Om die reden meen ik voor een bespreking van die middelen te kunnen volstaan met een verwijzing naar mijn conclusie in de zaak 23/01102.
Afronding
4. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
5. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat in zoverre sprake zal zijn van een overschrijding van de redelijke termijn.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, en tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG