Strafrecht overig
Conclusie plv. AG. Het hof heeft ten onrechte geen uitdrukkelijke en onderbouwde beslissing gegeven op een…
ECLI:NL:PHR:2025:172 · Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2025-172
Zaakgegevens
Op 11 februari 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2025
- Datum publicatie
- 6 februari 2025
- Zaaknummer
- 22/04044
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:172
Samenvatting
Conclusie plv. AG. Het hof heeft ten onrechte geen uitdrukkelijke en onderbouwde beslissing gegeven op een gemotiveerd beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing naar het hof.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04044
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Namens de verdachte is door R. Pothast, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
Het middel klaagt dat het hof het verweer over de verontschuldigbare termijnoverschrijding zonder nadere motivering heeft verworpen, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk is en met onvoldoende redenen omkleed.
Het bestreden arrest en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft het hof in het arrest het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 15 maart 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 8 februari 2022 in persoon betekend.
De verdachte is op 15 maart 2022 bij verstek veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 5 april 2022.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 oktober 2022 heeft het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:
“De voorzitter deelt mede dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard om op 15 maart 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 8 februari 2022 in persoon betekend. De verdachte is op 15 maart 2022 bij verstek veroordeeld. Het hoger beroep dat op 5 april 2022 is ingesteld zou derhalve niet ontvankelijk zijn.”
Blijkens datzelfde proces-verbaal van die terechtzitting heeft de verdediging het volgende aangevoerd:
“De raadsman legt een brief van de neuroloog over en voert aan:
U heeft gelijk qua data. Ook de betekening is in persoon uitgereikt. Ik ben echter van mening dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding gezien de psychische gesteldheid van cliënt. Er zijn bijzondere omstandigheden. Ik doe een beroep op de uitzondering psychische gesteldheid en ik verwijs hierbij naar de conclusie van de uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:PHR:2020:485. Cliënt heeft een aandoening genaamd dunnevezel-neuropathie (DVN). Ze heeft last van haar gevoelszenuwen. Haar conditie is erg verslechterd en ze is constant duizelig. In de relevante periode zat ze aan huis gekluisterd. Het ging toen dusdanig slecht dat ze niet heeft gedacht aan het instellen van hoger beroep. Ze had ook geen advocaat. Cliënt heeft zeker belang om het hoger beroep ontvankelijk te laten verklaren. Ze heeft immers haar verhaal niet kunnen doen bij een rechter. (…)
De voorzitter merkt op dat we het niet inhoudelijk over de zaak gaan hebben.
De verdachte verklaart als volgt:
Ik kan niet tegen vitamine B6, daardoor speelt het bij mij op. Artsen omschrijven het als de ergste pijn die je kan hebben.
De jongste raadsheer merkt op:
Hoe bent u op de hoogte gekomen van het vonnis.
De verdachte antwoord:
Ik heb thuis een brief gekregen.
De advocaat-generaal leest de vordering voor. Hij verzoekt het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep. Deze wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd. Voorts voert de advocaat-generaal aan:
U heeft de brief gekregen op 8 februari 2022. Toen was de situatie nog niet zo ernstig. Het lijkt mij onaannemelijk dat u helemaal niet kunt doen. Ik heb daar moeite mee.
De raadsman voert aan:
De advocaat-generaal begeeft zich op glad ijs. Ze denkt dat ze de ziekte beter kent dan een neuroloog. In de brief staat dat het onmogelijk is om normaal te functioneren. Ik hou mij aan de brief.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij verklaart:
Ik sluit mij aan bij mijn raadsman. De medicatie is echt troep en heeft veel bijwerkingen zoals hartkloppingen en duizeligheid.”
Het juridische kader
Art. 408 Sv luidt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;”
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kan worden ingesteld van openbare orde zijn. In de regel betekent overschrijding van de termijn voor hoger beroep dat dit hoger beroep niet ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarvan kan sprake zijn als, op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, sprake was van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld. Als duidelijk en gemotiveerd verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, moet de rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk de redenen van die beslissing geven.
In het geval van een verweer over verontschuldigbare termijnoverschrijding wegens de psychische gesteldheid van de verdachte, wijs ik in het bijzonder nog op de volgende uitspraken van de Hoge Raad. In HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2065 had de verdediging aangevoerd en met een verklaring van de psycholoog onderbouwd dat de verdachte wegens psychische stoornissen niet in staat was zijn post te openen en om hoger beroep in te stellen. Temeer, omdat de verdachte opgenomen is geweest. Het hof heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding in hoger beroep niet verontschuldigbaar was, nu niet was gebleken van een psychische stoornis ten gevolge waarvan de verdachte na het vonnis niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De opname van de verdachte kon volgens het hof evenmin leiden tot verontschuldigbare termijnoverschrijding, nu deze enige tijd had plaatsgevonden voordat het bestreden vonnis was gewezen en de dagvaarding was uitgereikt. De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof vernietigd, omdat het hof in het midden had gelaten of de verdachte wegens een hem niet toe te rekenen psychische problematiek niet in staat was zijn post te openen. In HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189 liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand. Het hof had geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verontschuldigbaar was. Het hof had daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte zich blijkens een brief van de ambulant begeleider weliswaar “in een moeilijke periode” bevond, maar dat wegens het ontbreken van objectieve informatie van bijvoorbeeld een psycholoog of een psychiater niet was komen vast te staan dat sprake was van een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Dit oordeel was volgens de Hoge Raad begrijpelijk, omdat in de kern niet meer was aangevoerd dan dat de verdachte niet de innerlijke rust had om de inhoud van het verstekvonnis tot zich door te laten dringen.
De bespreking van het middel
Het door en namens de verdachte gevoerde verweer in hoger beroep kan gelet op de omstandigheden van het geval bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer dat de termijn in hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden. In de schriftuur wordt door de verdediging aangevoerd dat ter onderbouwing van het verweer kennelijk een brief van de neuroloog is overgelegd waar volgens de verdediging uit zou blijken dat in de periode van het instellen van hoger beroep de verdachte onmogelijk normaal kon functioneren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 oktober 2022 is een brief van de neuroloog overhandigd. Deze brief is echter niet in het dossier opgenomen, waardoor van de inhoud hiervan geen kennis kan worden genomen.
Het verweer over de verontschuldigbare termijnoverschrijding is door het hof verworpen, maar het heeft daarbij nagelaten hierover een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te nemen. Hoewel van de inhoud van de brief van de neuroloog geen kennis kan worden genomen, blijkt uit de stukken van het geding dat deze brief is overgelegd en derhalve het verweer van de verdediging met objectieve informatie is onderbouwd. Daarbij merk ik op dat het door de verdediging gevoerde verweer niet van dien aard is dat het hof uitsluitend tot een verwerping van het verweer had kunnen besluiten. Gelet op het onder randnummer 2.6 en 2.7 omschreven juridisch kader, had het hof zijn oordeel dat geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding moeten motiveren. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in hoger beroep, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
Het middel slaagt.
Afronding
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG