Strafrecht overig

Beklag tegen beslag op gouden armband ex art. 94 Sv. Rb heeft op grond van schriftelijk standpunt OM…

Zaakgegevens

Op 18 maart 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 2025
Datum publicatie
13 maart 2025
Zaaknummer
24/00329
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:321
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Beklag tegen beslag op gouden armband ex art. 94 Sv. Rb heeft op grond van schriftelijk standpunt OM geoordeeld dat geen sprake is van beslag op gouden armband en het klaagschrift schriftelijk en zonder openbare behandeling in raadkamer afgedaan. Dat is in strijd met art. 23.2 Sv. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 maart 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2025:321

  2. Hoge Raad · 13 mei 2025

    ECLI:NL:HR:2025:719

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00329 B

Zitting 18 maart 2025

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klager],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

hierna: de klager.

1 Het cassatieberoep

1.1

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 11 december 2023 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een onder hem in beslag genomen “gouden armband”, ongegrond verklaard.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. G.L.D. Thomas, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel gaat over de door de rechtbank gevolgde procedure, in het bijzonder over de omstandigheid dat de klager niet is gehoord.

2 De procedure

2.1

Op grond van de stukken van het geding kan van het volgende procesverloop worden uitgegaan.

2.2

Het klaagschrift is op 29 augustus 2023 ingediend. Daarin wordt gesteld dat op 21 augustus 2023 onder klager een gouden armband in beslag is genomen en wordt verzocht om teruggave van die armband.

2.3

Op 25 september 2023 heeft het openbaar ministerie schriftelijk op het klaagschrift gereageerd. Daarin wordt geconcludeerd dat er niets in beslag is genomen en indien was gebleken dat de armband wel in beslag was genomen het OM zich niet tegen teruggave verzet.

2.4

Het klaagschrift is bij beschikking van 11 december 2023 ongegrond verklaard. De beschikking houdt het volgende in:

“Procedure

Het klaagschrift is op 29 augustus 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave een gouden armband die op 21 augustus 2023 onder klager in beslag zou zijn genomen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert dat er geen inbeslagname heeft plaatsgevonden. Bij de insluitingsfouillering op 21 augustus 2023 zijn een aantal goederen ingenomen, waaronder twee gouden kettingen. Verzoeker is dezelfde dag door de politie heengezonden waarbij hij de betreffende goederen weer heeft meegekregen. Indien de gouden armband per abuis is geverbaliseerd als ‘gouden ketting’ dan zou klager deze bij heenzending op 21 augustus 2023 retour hebben ontvangen.

Beoordeling

Uit de stukken blijkt niet dat onder klager een gouden armband in beslag is genomen. Ook heeft klager anderszins onvoldoende aannemelijk gemaakt dat onder hem een gouden armband in beslag is genomen. Het klaagschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.”

2.5

De beschikking van de rechtbank houdt niet in dat het klaagschrift in openbare raadkamer is behandeld. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken, ontbreekt bovendien een proces-verbaal van het verhandelde in raadkamer. Daarop heeft de Hoge Raad inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank. Dit heeft geleid tot een verklaring van de rechtbank die onder meer het volgende inhoudt:

“Gelet op het standpunt van het Openbaar Ministerie dat geen inbeslagname heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaard.

De rechtbank zag geen noodzaak tot het horen van partijen op zitting en heeft er daarom voor gekozen het klaagschrift schriftelijk af te handelen.”

3 Het middel

3.1

Het middel bevat de klacht dat de klager door de rechtbank ten onrechte niet is gehoord.

3.2

Op grond van artikel 23 lid 2 Sv moeten door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte (in dit geval: de klager) en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Art. 552a lid 7 Sv bepaalt dat het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting dient te worden behandeld. Van het onderzoek ter zitting van de raadkamer moet op grond van art. 25 lid 1 Sv door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt, vastgesteld, ondertekend en bij de processtukken worden gevoegd.

3.3

Uit de bestreden beschikking en uit de nader ingewonnen inlichtingen bij de rechtbank blijkt dat er geen openbare raadkamerzitting heeft plaatsgevonden waarop de klager is gehoord. Volgens de door de rechtbank verstrekte inlichtingen zag de rechtbank geen noodzaak tot het horen van partijen op zitting en is het klaagschrift daarom schriftelijk afgehandeld. Kennelijk heeft de rechtbank – na kennisname van het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie – gemeend dat de zaak voldoende duidelijk was en geoordeeld dat er geen inbeslagname heeft plaatsgevonden.

3.4

Deze wijze van afdoening is in strijd met de hiervoor besproken wettelijke bepalingen. De wet biedt geen mogelijkheid om het klaagschrift schriftelijk af te doen zonder openbare behandeling in raadkamer. Ook niet als de rechtbank zich op grond van de schriftelijke stukken reeds voldoende voorgelicht acht. Dat kennelijke oordeel van de rechtbank klemt hier overigens temeer omdat de klager niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie en de rechtbank in de beschikking bovendien heeft overwogen dat de klager ook “anderszins onvoldoende aannemelijk [heeft] gemaakt dat onder hem een gouden armband in beslag is genomen.” Op grond waarvan de rechtbank tot deze vaststelling komt blijft in het ongewisse.

3.5

Wat daar ook van zij, het verzuim om het klaagschrift op een openbare raadkamerzitting te behandelen waar (onder meer) de klager wordt gehoord, leidt tot nietigheid van de beschikking.

4 Slotsom

4.1

Het middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:854, rov. 2.3. Tijdens de COVID-periode heeft de HR wel een aantal keer geaccordeerd dat klaagschriften – met toestemming van de partijen – schriftelijk werden afgedaan. Zie bijvoorbeeld HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1497. Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1663, rov. 3.5 en HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5512, rov. 3.