Strafrecht overig

Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel klaagt er slechts over dat in de cassatiefase de redelijke termijn…

Zaakgegevens

Op 9 september 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
9 september 2025
Datum publicatie
23 juli 2025
Zaaknummer
23/04704
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:819
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel klaagt er slechts over dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Daarmee is geen sprake van een klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81 RO). Samenhang met 23/04701 en 23/047703.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 9 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2025:819

  2. Hoge Raad · 4 november 2025

    ECLI:NL:HR:2025:1626

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04704 P

Zitting 9 september 2025

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[betrokkene],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de betrokkene

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 22 november 2023 (parketnr. 21-005323-21) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 48.740,62 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 48.740,62 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 278 dagen.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/04701 en 23/04703. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

  5. Het middel strekt er enkel toe te klagen dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen cassatieklachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee is er geen sprake van een klacht die voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.

6. Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, r.o. 2.2.4. Zie HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1643.