Strafrecht overig
Conclusie AG. Moord op ex-partner (art. 289 Sr). Middel verdachte is gericht tegen de bewezenverklaring van…
Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:1010 · Parket bij de Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-1010
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/03020
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:1010
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Moord op ex-partner (art. 289 Sr). Middel verdachte is gericht tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad’. De AG meent dat het middel faalt en kan worden afgedaan met art. 81 RO. Middel benadeelde partijen betreft de niet-ontvankelijkverklaring van hun vorderingen wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ (anders dan de tevens gevorderde shockschade). De AG meent dat ook dit middel faalt en kan worden afgedaan met art. 81 RO. Conclusie strekt tot verwerping.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03020
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 27 augustus 2025 (rolnr. 22-002803-22) wegens “moord” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Verder heeft het hof beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten H. Brentjes en N. van Schaik hebben één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is door advocaten F.J.M. Hamers en A.R. Hamers een middel van cassatie voorgesteld met betrekking tot de beslissing van het hof op de vordering van deze benadeelde partijen. Ik bespreek eerst het middel van de verdachte en daarna het middel van de betreffende benadeelde partijen.
2 Het namens de verdachte voorgestelde middel
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. Het middel bevat de volgende vier deelklachten.
- De eerste deelklacht houdt in dat het hof ongemotiveerd en/of op onbegrijpelijke wijze voorbij is gegaan aan de door de verdediging aangevoerde contra-indicaties voor voorbedachte raad;
- De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte tijdens het steken een bevestiging vormt van het oordeel dat hij niet heeft gehandeld in een gemoedsopwelling;
- De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, redengevende betekenis heeft toegekend aan eerdere bedreigingen door de verdachte;
- De vierde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, redengevende betekenis heeft toegekend aan de gedragingen van de verdachte na afloop van het tenlastegelegde feit.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 18 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermaals met een mes, in de nek/hals/keel, het hoofd en het bovenlichaam, te steken en/of te snijden.”
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 21 september 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Op 18 januari 2022 kwam ik in de avond thuis. Er ontstond een woordenwisseling tussen mij en [slachtoffer] . Na de woordenwisseling kwam het duwen en trekken. Het klopt dat het mes waar ik haar mee heb gestoken, van mij was. Het lag op het aanrecht.
2
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2025 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat ik heb bekend dat ik het slachtoffer meerdere keren heb gestoken op 18 januari 2022. Ik had sinds ongeveer 2013 een relatie met haar. Dat was ongeveer een jaar na de geboorte van mijn dochter [betrokkene 1] , die ik met mijn ex-vriendin [betrokkene 2] heb gekregen. Het klopt dat ik een tijd met beide vrouwen een relatie heb gehad. U houdt mij voor dat uit het dossier blijkt dat ik ben vreemdgegaan. Ja. U houdt mij voor dat ik zou hebben gedacht dat zij ook vreemd ging. Dat zal wel zo zijn.
De relatie ging met pieken en dalen. De ruzies gingen over van alles, bijvoorbeeld over vertrouwen over en weer in de relatie en vreemdgaan.
3
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2022 van de politie, eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-10. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 14-15 van de doorgenummerde bijlagen van het procesdossier):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 18 januari 2022 omstreeks 23.45 uur kregen wij het verzoek om naar de [a-straat 1] te [plaats] te gaan. Op het politiebureau was een man met twee kinderen binnen komen lopen, die aangaf dat hij zijn vrouw had neergestoken.
Wij zijn ter hulpverlening de woning betreden. Wij liepen hier direct een trap op en ik ben bovenaan de trap, linksaf, de eerste deur binnen gegaan, wat uitkwam in de keuken. Ik zag een negroïde vrouw liggen op haar rechterzij, met meerdere steekwonden, roerloos, in een grote plas bloed. Ik zag dat de rug van de vrouw geheel bebloed was.
De overledene: [slachtoffer] .
4
Een rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2022.01.19.048, d.d. 10 augustus 2022, opgemaakt en ondertekend door de deskundige [naam 1] , arts en forensisch patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als relaas van deze deskundige:
Verspreid over het lichaam waren 85 steek-, snij- en krasletsels. De letsels bevonden zich links aan het gelaat, aan achterzijde van het hoofd, links aan de hals, aan achterzijde van de nek, aan de voorzijde van de borstkas, de linkerflank, aan de voorzijde van de buik, aan de rug, aan de linkerarm, hand en vingers, en linkerknie.
Aan het lichaam waren talrijke letsels bij leven opgelopen, ten gevolge van meermaals scherppuntige perforerende en scherprandig snijdende krachtsinwerkingen (62 steek- /snijletsels) en meermaals scherppuntig of scherprandig oppervlakkig krassende of snijdende krachtsinwerkingen (23 krassen).
Alhoewel verspreid over vrijwel het gehele lichaam bevonden de letsels zich met name aan de linkerzijde van het lichaam en waren zij het eest uitgebreid aanwezig aan het hoofd en de hals. Meerdere letsels (met name links aan de hals) bevonden zich dicht nabij elkaar en hadden een vergelijkbaar verloop, passend bij in zeer korte tijd na elkaar oplopen (snel salvo van herhaald steken).
Ten gevolge van de steekletsels is fors bloedverlies opgelopen. Verder was er door steekletsel links aan de hals onder meer beschadiging aan de grote halsvaten links in de hals met totaal doorsnijden van de linkerhalsslagader. Naast flink bloedverlies heeft dit letsel ook aanleiding gegeven tot aanzuigen van lucht in de bloedbaan (‘luchtembool’).
Ten gevolge van steekletsels aan de linkerflank, links-centraal van de borst, en links en hoog aan de rug was er schade aan de linkerlong. Ten gevolge van letsel linksonder aan de rug was er schade aan het middenrif en ten gevolge van steekletsels door de mondholte is inademing van bloed opgetreden (‘aspiratie’). Dit zal aanleiding hebben gegeven tot longfunctie- en ademhalingsstoornissen.
Conclusie. Bij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] , 30 jaar oud geworden, wordt het overlijden zonder meer verklaard door fors bloedverlies en aanzuigen van lucht in de bloedbaan ten gevolge van de talrijke steekletsels.
5
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2022 van de politie, eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-6. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 2-3 van de doorgenummerde bijlagen van het procesdossier):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik zag op 18 januari 2022 omstreeks 23.40 uur een man aan de tafel voor de balie (het hof begrijpt: van het politiebureau aan [b-straat 1] te Rotterdam) staan. Ik heb gevraagd of hij aan de balie wilde komen. Ik hoorde de man aan mij verklaren: "Ik kom mijzelf aangeven. Ik heb iets ergs gedaan met mijn vrouw. Ik heb net mijn vrouw neergestoken. Het is heel ernstig.” Ik hoorde dat hij aan mij verklaarde: "Ze is thuis. In de woning. Het adres is [a-straat 1] .”
6
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2022 van de politie, eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-34. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 172 van de van de doorgenummerde bijlagen van het procesdossier e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik heb onderzoek ingesteld in de telefoon van [slachtoffer] . In deze telefoon kwam ik de volgende bijzonderheden tegen.
Printscreens van eerdere gesprekken met [verdachte] :
Op deze printscreens is te lezen dat [slachtoffer] aangeeft dat zij het gevoel heeft dat zij gecontroleerd wordt door [verdachte] . Dit stuurde zij op 29/10/2021:
Stop er gwn mee want ik heb altijd t idee dat je me aan t controleren ben.
Op 8 december 2021 stuurde [verdachte] naar [slachtoffer] twee berichten:
"Sow als ik al zij blijf met die guy doe je dingen maar je wil mij scotten is goed dan gaat me kind maar zonder moeder leven over 12 jaar ben ik buiten."
"Je mag politie gaan familie gaan doe wat je niet laten kan op uhn dag knal of steek ik je dood zweer het je."
Op 13 januari 2022 stuurde [verdachte] naar [slachtoffer] :
"Nu me leven weer op orde is werk kleine vrouwtje niet elke dag op straat meer niet blowen geen domme dingen doen dat ik sow maar jilla ga ensow wil ik sow houden vraag je gewoon nog uhn kans."
[slachtoffer] reageerde hierop:
"Vorige maand dacht ik ook zo ja en als t aan mij ligt gaan we zeker niet uit elkaar maar nogmaals ge moeten eerlijk zijn naar ons zelf wat niet gaat gaat niet. Daarom dat ik zeg dan ga ik liever goed uitelkaar dan dat ik nu ga forceren om rog ( het hof begrijpt nog) door te gaan en wij dalijk met ruzie uit elkaar gaan."
[verdachte] reageerde hierop:
“Als je van me houdt zou je dit niet doen"
en
"Kan niet zonder jou"
en
“Dit is gewoon niet eerlijk wat je nu met mij dout".
7
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2022 van de politie, eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-11. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 66 van de van de doorgenummerde bijlagen van het procesdossier e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Na onderzoek in de SMS-berichten zag ik dat [slachtoffer] op 17 januari 2022 contact had met [betrokkene 3] van 22.34 uur tot en met 23.00 uur.
[slachtoffer] stuurde:
"...lijkt alsof hij alles in de gaten houden nsoow n hij praat omin gekke dingen en nee, ik zeg t niet snel maar begin nu wel een beetje angstig te worden man hij zegt gwn hoebedoel je verder gaan, er is geen verder gaan."
[betrokkene 3] reageerde hierop:
"Oh goddd. Vertel dit aan je vader bv dat mensen op de hoogte zijn, is eng hoor". [slachtoffer] zegt hierop: "Hij zei al interesseert hem niet wie hem wat komt zeggen ze hoofd is ver en dat is allemaal mijn schuld."
8
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2022 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 19 van de doorgenummerde bijlagen bij het procesdossier):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De zoon van [slachtoffer] , te weten [benadeelde 1] , is na het incident door de verdachte [verdachte] , naar het politiebureau aan [b-straat 1] te Rotterdam gebracht. Daar is [benadeelde 1] , samen met zijn zusje [betrokkene 4] opgevangen.
[benadeelde 1] , vertelde op woensdag 19 januari 2022 het volgende:
- Zijn moeder en stiefvader hadden vaak ruzie;
- Zijn moeder sprak regelmatig over scheiden van zijn stiefvader;
- Vanavond sprak zijn moeder weer met zijn stiefvader over scheiden;
- Zijn moeder wilde niet dat hij en zijn zusje het gesprek tussen haar en de stiefvader zouden afluisteren en daarom stuurde zijn moeder hen naar bed;
- Vervolgens hoorde hij een grote knal, waarna hij ging kijken wat er gebeurde;
- Hierna zag hij dat zijn stiefvader zijn moeder stak.
9
Een proces-verbaal van uitwerking studioverhoor d.d. 15 februari 2022 van de politie Rotterdam met nr. PL1700-2022018975-43. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 196 van de doorgenummerde bijlagen bij het procesdossier e.v.):
als de op 21 januari 2022 afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 1] :
Ik hoorde dat mijn moeder aan het schreeuwen was en ik hoorde dat ze pijn had, dus ik rende naar beneden (het hof begrijpt op 18 januari 2022 in de woning van het slachtoffer aan de [a-straat 1] te [plaats] ). Daarna zag ik dat mijn stiefvader mijn moeder aan het steken was. Mijn moeder lag op de grond. Gewoon op haar zij. Mijn stiefvader lag bovenop haar. Mijn stiefvader lag zo, alsof je iemand wil klemmen, met z’n been op haar been.
Hij zei tegen mij rustig enzo, omdat ik weg wou gaan en ik hem daar vanaf wilde halen. Ik pakte hem daarzo bij zijn oksels en bij zijn buik, zodat ik hem weg kon trekken. Toen deed hij zijn mes naar mij waardoor ik wegging. Hij keek boos naar mij en had het mes zo vast. Hij zei: "Niet doen, ga weg. Rustig". Toen wou ik de balkondeur openmaken, maar toen zei die tegen mij: "Nee, niet doen." Hij was toen nog steeds bezig met mijn moeder steken. Ik hoorde mijn moeder nog heel de tijd mijn naam schreeuwen. Die schreeuwde gewoon heel de tijd help. Dat stopte. Uiteindelijk bewoog ze niet meer. Zei ze niks.
Hij heeft toen andere kleren aangetrokken. Had hij zijn schoenen aangetrokken, andere sokken volgens mij ook. Dan loopt hij nog te roken daarzo in de keuken. Drinkt hij nog Hennessy. Toen zijn we in de auto gestapt.”
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“Inleiding
De verdachte heeft zich op 18 januari rond 23:40 gemeld aan de balie van het politiebureau aan [b-straat] te Rotterdam. De verdachte vertelde dat hij iets ergs had gedaan; hij had zijn vrouw neergestoken en kwam zich aangeven. De politie is naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer] , hierna te noemen [slachtoffer] , gegaan, en trof haar dood aan. Blijkens het forensisch pathologisch onderzoek wordt het overlijden van [slachtoffer] zonder meer verklaard door fors bloedverlies en aanzuigen van lucht in de bloedbaan ten gevolge van talrijke steekletsels. Aan het lichaam van het slachtoffer zijn 62 steek-/snijletsels aangetroffen en 23 krassen (scherppuntige of scherprandige oppervlakkig krassende of snijdende krachtsinwerkingen). Zowel tegenover de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat hij degene was die [slachtoffer] die avond meermalen met een mes heeft gestoken. Dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] door messteken om het leven heeft gebracht, staat dan ook niet ter discussie. Het gaat in deze zaak om de vraag of het handelen van de verdachte als moord dan wel als doodslag gekwalificeerd dient te worden.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Het hof overweegt het volgende:
De relatie tussen verdachte en [slachtoffer] :
De verdachte heeft gedurende ongeveer 10 jaar een relatie gehad met [slachtoffer] . De verdachte heeft hierover verklaard dat het een relatie was met ups en downs, waarin veel sprake was van jaloezie. Volgens de verdachte was dit van beide kanten. Het hof maakt uit het dossier echter op dat het vooral de verdachte was die last had van gevoelens van jaloezie en [slachtoffer] ervan verdacht dat ze vreemd ging. De verdachte heeft meermalen verklaard dat hij "altijd scharreltjes heeft gehad", en dus zelf in de relatie vreemd ging. [slachtoffer] wist hiervan, maar dat was voor haar kennelijk geen reden de relatie te beëindigen. Het dossier bevat geen aanwijzingen - anders dan de verklaring van de verdachte - dat [slachtoffer] vreemd ging. De verdachte had het idee dat [slachtoffer] vreemd ging en [slachtoffer] ervaarde dat hij haar steeds meer ging controleren. In een appbericht van 29 oktober 2021 spreekt ze de verdachte daar ook op aan:
Stop er gwn mee want ik heb altijd t idee dat je me aan t controleren ben.
Het gedrag van de verdachte leidde er toe dat [slachtoffer] de relatie wilde beëindigen. Het dossier bevat verklaringen van getuigen en WhatsAppberichten van de periode kort voor 18 januari 2022 waaruit blijkt dat geen sprake was van een ‘knipperlicht relatie’ - zoals de verdachte heeft gesteld - maar dat [slachtoffer] de relatie had beëindigd. Zij wilde slechts omwille van de kinderen 'on speaking terms’ blijven en hem niet zomaar het huis uitzetten.
Het betreft de volgende bewijsmiddelen:
- Een WhatsApp-bericht van de verdachte aan [slachtoffer] op 8 december 2022 met de volgende inhoud:
“Sow als ik al zij blijf met die guy doe je dingen maar je wil mij scotten is goed dan gaat me kind maar zonder moeder leven over 12 jaar ben ik buiten. Je mag politie gaan familie gaan doe wat je niet laten kan op uhn dag knal of steek ik je dood zweer het je."
- Een WhatsAppbericht van de verdachte aan [slachtoffer] op 13 januari 2022 met de volgende inhoud:
"Nu me leven weer op orde is werk kleine vrouwtje niet elke dag op straat meer niet blowen geen domme dingen doen dat ik sow maar jilla ga ensow wil ik sow houden vraag je gewoon nog uhn kans.”
[slachtoffer] antwoordde hierop het volgende:
“Vorige maand dacht ik ook zo ja en als t aan mij ligt gaan we zeker niet uit elkaar maar nogmaals ge moeten eerlijk zijn naar ons zelf wat niet gaat gaat niet. Daarom dat ik zeg dan ga ik liever goed uitelkaar dan dat ik nu ga forceren om rog ( het hof begrijpt nog) door te gaan en wij dalijk met ruzie uit elkaar gaan.”
De verdachte appt dan nog:
“Als je van me houdt zou je dit niet doen" en “Kan niet zonder jou" en “Dit is gewoon niet eerlijk wat je nu met mij dout".
- Berichten via SMS tussen [slachtoffer] en [betrokkene 3] , verzonden op 17 januari 2022 tussen 22.34 en 23.00 waarin [slachtoffer] schreef:
"lijkt alsof hij alles in de gaten houden nsoow n hij praat omin gekke dingen en nee, ik zeg t niet snel maar begin nu wel een beetje angstig te worden man hij zegt gwn hoebedoel je verder gaan, er is geen verder gaan.”
[betrokkene 3] reageerde geschrokken en adviseerde haar dit aan haar vader te vertellen zodat mensen op de hoogte zijn. [slachtoffer] antwoordde dat hij al had gezegd dat het hem niet interesseerde wie hem wat komt zeggen.
- De op 25 januari 2022 afgelegde verklaring van getuige [getuige 2] (p.149 e.v. van het politiedossier), inhoudende:
Vorige week was ze bij mij en hebben we met elkaar gebeld. [slachtoffer] vertelde toen dat zij ruzie had met haar partner omdat zij het uit wilde maken. Hij was daar boos over. Hij ging niet akkoord met het feit dat [slachtoffer] het uit wilde maken. Hij accepteerde gewoon niet dat de relatie over was. De getuige verklaarde dat ze op 18 januari om 16.28 nog hadden gebeld nadat ze elkaar daarvoor nog hadden gezien. [slachtoffer] had verteld dat ze het had uitgemaakt.
- Het proces-verbaal van bevindingen, proces- verbaalnummer 13, documentcode 202201192222, opgemaakt op 19 januari 2022, inhoudende een gespreksverslag van hoofdagent [verbalisant 1] met getuige [getuige 1] , de stiefmoeder van [slachtoffer] .
[getuige 1] verklaarde het volgende:
Gisteren (het hof begrijpt 18 januari) kwam [slachtoffer] haar kind afzetten. Zij vertelde mij dat [verdachte] (het hof begrijpt de verdachte) weer vervelend deed. Zij had hem duidelijk gemaakt geen relatie meer te willen. Ze wilde als goede vrienden uit elkaar. Gisteren vertelde zij aan mij dat hij zondag (het hof begrijpt zondag 16 januari) bij haar in bed wilde gaan liggen, maar zij wilde dat niet. Toen zei hij tegen haar: "Je bent mijn vrouwtje, je bent van mij. Als je vind dat het over is, gaat jouw leven ook niet verder".
Het hof concludeert op basis van deze bewijsmiddelen dat [slachtoffer] al enige tijd de relatie met de verdachte wilde beëindigen, dat de verdachte dit niet kon accepteren en dat hij haar waarschuwde dat hij haar dood zou maken als zij de relatie daadwerkelijk zou beëindigen.
De confrontatie met [slachtoffer]
Op 18 januari 2022 is de verdachte ‘s-avonds in de woning van [slachtoffer] . Blijkens de verklaring van [benadeelde 1] , die de verdachte beschouwde als zijn stiefvader, is er ook toen gesproken over het beëindigen van de relatie. [benadeelde 1] is in de nacht van 18 op 19 januari - nadat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht - door de verdachte samen met zijn halfzusje [benadeelde 2] naar het politiebureau gebracht. [benadeelde 1] heeft na aankomst op het politiebureau tegen de politie gezegd dat zijn moeder en stiefvader vaak ruzie hadden, dat zijn moeder regelmatig over scheiden van zijn stiefvader sprak en dat zijn moeder die avond weer met zijn stiefvader over scheiden heeft gesproken. Zijn moeder wilde niet dat hij en zijn zusje het gesprek tussen haar en de stiefvader zouden afluisteren en daarom stuurde zij hen naar bed. Korte tijd later hoorde hij een grote knal, waarna hij ging kijken wat er gebeurde. Hij zag toen dat zijn stiefvader zijn moeder stak met een mes.
[benadeelde 1] is op 21 januari 2022 in de kindvriendelijke studio verhoord, en heeft in dat verhoor verklaard dat hij zijn moeder hoorde schreeuwen en dat ze pijn had. Hij is toen naar beneden gegaan. Beneden zag hij dat zijn stiefvader zijn moeder aan het steken was. Zijn moeder lag op haar zij op de grond en zijn vader zat bovenop haar en klemde haar vast met zijn benen.
[benadeelde 1] heeft verder verklaard dat hij de verdachte probeerde weg te trekken door hem bij zijn oksels en zijn buik vast te pakken. De verdachte zei tegen hem “rustig" en maakte met het mes een gebaar richting [benadeelde 1] waardoor [benadeelde 1] weg ging. Toen hij de balkondeur open wilde maken zei de verdachte: "Nee". Vervolgens is de verdachte doorgegaan met insteken op [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft nog een paar keer de naam van [benadeelde 1] geschreeuwd. Uiteindelijk bewoog ze niet meer.
Beoordeling
Het hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen op basis van wettige bewijsmiddelen en de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte op 18 januari 2022 [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.
Uitgaande van de fatale datum 18 januari 2022, is er sprake van een voorgeschiedenis.
Uit de hierboven genoemde verklaringen en WhatsAppberichten blijkt dat [slachtoffer] in ieder geval vanaf oktober 2021 de verdachte een aantal keren duidelijk heeft gemaakt dat zij de relatie met hem wilde beëindigen. Voor de verdachte was dit onacceptabel. Hij heeft niet alleen diverse malen geprobeerd haar tot andere gedachten te brengen - hij heeft haar ook duidelijk gemaakt wat de gevolgen voor haar zouden zijn wanneer zij de relatie daadwerkelijk zou beëindigen. Hij zou haar in dat geval om het leven brengen. Aldus heeft in zijn hoofd de gedachte postgevat dat hij haar zou doden op het moment dat de relatie definitief ten einde was. Hij heeft dit voornemen kernachtig verwoord in het eerder genoemde whatsappbericht van 8 december 2022. Daarna heeft hij haar twee dagen voor 18 januari opnieuw duidelijk gemaakt dat hij haar zou doden wanneer zij de relatie zou beëindigen. Op 18 januari 2022 heeft de verdachte weer met [slachtoffer] gesproken over het uit elkaar gaan. Kennelijk is hem toen duidelijk geworden dat zij niet van mening zou veranderen. Vervolgens heeft hij gedaan wat hij zich had voorgenomen en ook had aangekondigd; hij heeft haar van het leven beroofd. Hij heeft een mes gepakt, dit opengeklapt en vervolgens herhaaldelijk op haar ingestoken. De verdachte heeft hierbij uitvoering gegeven aan het eerder door hem genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven wanneer zij de relatie met hem zou beëindigen.
Ook het handelen van de verdachte tijdens en na het steken van [slachtoffer] , ziet het hof als een bevestiging van het oordeel dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat zijn handelen de uitvoering was van een vooraf genomen besluit. Zo was het feit dat zijn stiefzoon [benadeelde 1] de keuken in kwam en hem probeerde van [slachtoffer] af te trekken en het steken te beëindigen geen aanleiding voor de verdachte om tot inkeer te komen en te stoppen. Het leidde slechts tot een korte onderbreking om [benadeelde 1] duidelijk te maken dat hij rustig moest blijven en ook niet de balkondeur moest openen om om hulp te roepen. Vervolgens is de verdachte weer doorgegaan met het insteken op [slachtoffer] totdat zij geen teken van leven meer gaf. Hij heeft daarna op geen enkel moment gecontroleerd of zij nog leefde en evenmin hulpdiensten gebeld. Ook dit optreden past slechts bij iemand die zojuist gehandeld heeft volgens een vooraf genomen besluit; toen zij geen teken van leven meer gaf, was zijn doel bereikt.
De verdachte heeft vervolgens - uiterlijk kalm - andere kleren aangetrokken, even met de kinderen gesproken, hij heeft een glas Hennesy gedronken en is vervolgens in zijn auto met de kinderen naar het politiebureau gereden. Op het politiebureau aangekomen is hij volstrekt rustig en zegt hij kalm dat hij iets ernstigs heeft gedaan: “Ik heb net mijn vrouw neergestoken. Ik kom mezelf aangeven. Ze is thuis op de [a-straat 1] [plaats] ". Ook dit gedrag past bij iemand die volgens een eerder genomen besluit heeft gehandeld.
Dit besluit had hij blijkens het hierboven genoemde WhatsApp bericht in ieder geval al ruim een maand eerder genomen, op 8 december 2021. Zijn uitlating tegenover [slachtoffer] op 16 januari 2021 geeft weer dat hij hier op 16 januari nog steeds achter stond en op 18 januari heeft hij dan ook conform dat eerder genomen besluit [slachtoffer] van het leven beroofd.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte gedurende enige tijd gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven, en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.”
De vaste rechtspraak van de Hoge Raad over de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ luidt als volgt:
“Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof gedurende enige tijd gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven en hij heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof heeft dit oordeel als volgt onderbouwd:
i) Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld conform een eerder door hem genomen besluit. Het slachtoffer wilde al enige tijd de relatie met de verdachte beëindigen. De verdachte kon dit niet accepteren en waarschuwde haar dat hij haar dood zou maken als zij de relatie daadwerkelijk zou beëindigen. Het hof wijst in dit verband onder meer op het bericht dat de verdachte op 8 december 2021 aan het slachtoffer stuurde, inhoudende: “[…] je wil mij scotten is goed dan gaat me kind maar zonder moeder leven over 12 jaar ben ik buiten. Je mag politie gaan familie gaan doe wat je niet laten kan op uhn dag knal of steek ik je dood zweer het je.". Ook wijst het hof op de verklaring van getuige [getuige 1] (de stiefmoeder van het slachtoffer), onder meer inhoudende dat het slachtoffer haar had verteld dat de verdachte op 16 januari 2022 tegen haar zei: “Je bent mijn vrouwtje, je bent van mij. Als je vind dat het over is, gaat jouw leven ook niet verder”.
ii) Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 18 januari 2022 uitvoering heeft gegeven aan het hierboven genoemde besluit. Die avond heeft de verdachte weer met het slachtoffer gesproken over het uit elkaar gaan en is hem kennelijk duidelijk geworden dat zij niet van mening zou veranderen. Hij heeft toen gedaan wat hij zich had voorgenomen en ook had aangekondigd; hij heeft haar van het leven beroofd.
iii) In het handelen van de verdachte tijdens het steken van het slachtoffer ziet het hof een bevestiging dat de verdachte niet in gemoedsopwelling heeft gehandeld, maar dat zijn handelen de uitvoering was van een vooraf genomen besluit. Tijdens het steken is de zoon van het slachtoffer de keuken ingekomen, heeft hij geprobeerd de verdachte van het slachtoffer af te trekken en het steken te beëindigen. Dit leidde slechts tot een korte onderbreking om de zoon duidelijk te maken dat hij rustig moest blijven en ook niet de balkondeur open moest maken om hulp te roepen. Vervolgens is de verdachte weer doorgegaan met het insteken op het slachtoffer.
iv) Ook het gedrag van de verdachte na het tenlastegelegde past volgens het hof bij iemand die volgens een eerder genomen besluit heeft gehandeld. Hij heeft kalm andere kleren aangetrokken, een glas Hennesy gedronken, en is met de kinderen naar het politiebureau gereden. Daar was hij volstrekt rustig en heeft hij kalm gezegd dat hij iets ernstigs heeft gedaan.
De eerste deelklacht houdt in dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de door de raadsman van de verdachte bij pleidooi aangevoerde contra-indicaties tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad, in het bijzonder de omstandigheid dat het tenlastegelegde feit direct na een woordenwisseling heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat het mes waarmee de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd volgens de stellers van het middel “kennelijk toevallig” op het aanrecht in de woning lag.
Uit de hiervoor onder 2.6 genoemde bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat en waarom het hof van oordeel is dat de verdachte op 18 januari 2022 uitvoering heeft gegeven aan een eerder door hem genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven wanneer zij de relatie met hem zou beëindigen. Kennelijk hebben de door de raadsman van de verdachte aangevoerde omstandigheden dat aan het steken een woordenwisseling vooraf is gegaan en dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd met een mes dat op het aanrecht lag, het hof niet tot een ander oordeel gebracht. Dat acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof uitgebreid heeft toegelicht dat de verdachte blijkens de berichten die hij heeft verstuurd reeds op 8 december 2021 voornemens was om het slachtoffer van het leven te beroven als zij de relatie zou beëindigen – en zich daarbij blijkens het desbetreffende bericht ook rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn voorgenomen handelen – en dat hij dit voornemen blijkens de verklaring van getuige [getuige 1] op 16 januari 2022 – twee dagen voor de fatale steekpartij – nogmaals aan het slachtoffer duidelijk heeft gemaakt. Daaruit blijkt dat sprake is geweest van een (zeer) ruime tijdspanne tussen besluit en uitvoering, zodat de verdachte (ruim) de tijd en de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Gelet op het voorgaande heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de voor de voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan. Dat het hof daarbij niet expliciet is ingegaan op de door de verdediging genoemde omstandigheden, maakt dat niet anders. Volledigheidshalve merk ik daarbij op dat het mes waarmee de verdachte de steekwonden heeft toegebracht, blijkens de bewijsmiddelen van de verdachte was (bewijsmiddel 1).
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte tijdens het steken een bevestiging vormt van het oordeel dat hij niet heeft gehandeld in een gemoedsopwelling, maar overeenkomstig een vooraf genomen besluit heeft gehandeld.
Het hof heeft vastgesteld dat de zoon van het slachtoffer tijdens het steken de keuken is binnengekomen en daar heeft geprobeerd om de verdachte van zijn moeder af te trekken en het steken te beëindigen. Het hof heeft overwogen dat dit geen aanleiding vormde voor de verdachte om tot inkeer te komen en te stoppen, maar slechts tot een korte onderbreking heeft geleid om de zoon van het slachtoffer duidelijk te maken dat hij rustig moest blijven en niet de balkondeur moest openen om hulp te roepen. Vervolgens is de verdachte doorgegaan met het insteken op het slachtoffer totdat zij geen teken van leven meer gaf.
Anders dan het stellers van het middel aanvoeren, zie ik niet in waarom deze omstandigheid zou impliceren dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan. Uit de bespreking van de eerste deelklacht blijkt immers dat het hof – mijn inziens niet onbegrijpelijk – heeft geoordeeld dat de verdachte het besluit om het slachtoffer van het leven te beroven als zij de relatie zou beëindigen al ruim een maand voor de uitvoering van dat besluit heeft genomen en kort voor 18 januari 2022 richting het slachtoffer heeft herhaald (en dus dat hij voorafgaand aan de uitvoering gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van dat besluit).
Dat het hof in de genoemde omstandigheid steun heeft gezien voor het oordeel dat de verdachte niet in een gemoedsopwelling heeft gehandeld, is bovendien niet onbegrijpelijk. Door de (korte) onderbreking die moet hebben plaatsgevonden op het moment dat de zoon van het slachtoffer de verdachte probeerde weg te trekken en de balkondeur wilde openen, heeft er – naast de (ruime) tijd die reeds was verstreken voorafgaand aan de uitvoering van het veel eerder genomen besluit – tijdens de uitvoering van het besluit nog een bijkomende mogelijkheid voor beraad bestaan.
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, redengevende betekenis heeft toegekend aan eerdere bedreigingen van het slachtoffer door de verdachte.
In de toelichting wordt aangevoerd dat uit de eerdere dreigementen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het besluit had genomen om het slachtoffer van het leven te beroven, gelet op de omstandigheid dat verdachte en slachtoffer vaker ruzie hadden en dat de verdachte zich kennelijk ook vaker bedreigend jegens haar uitliet. Daarnaast behoeft het oordeel dat de verdachte niet in een gemoedsopwelling heeft gehandeld volgens de stellers van het middel nadere motivering, omdat de band tussen een eerder genomen besluit en de uitvoering daarvan kan zijn doorbroken. Dat de verdachte in de onderhavige zaak een nieuw (impulsief) besluit heeft genomen, zou blijken uit het tijdsverloop tussen de bedreigingen en het doden van het slachtoffer, maar ook uit de bij de eerste deelklacht besproken omstandigheden (i.e. de woordenwisseling en de toevallige aanwezigheid van het mes).
Het besluit om het slachtoffer van het leven te beroven wanneer zij de relatie zou beëindigen, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof in ieder geval op 8 december 2021 genomen. Dat heeft het hof ontleend aan het bericht dat de verdachte op die datum naar het slachtoffer heeft gestuurd: “Sow als ik al zij blijf met die guy doe je dingen maar je wil mij scotten is goed dan gaat me kind maar zonder moeder leven over 12 jaar ben ik buiten. Je mag politie gaan familie gaan doe wat je niet laten kan op uhn dag knal of steek ik je dood zweer het je.". Uit de verklaring van getuige [getuige 1] heeft het hof afgeleid dat de verdachte op 16 januari 2022 nog steeds achter zijn besluit stond, aangezien [getuige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer haar vertelde dat de verdachte op die dag had gezegd: “Je bent mijn vrouwtje, je bent van mij. Als je vind dat het over is, gaat jouw leven ook niet verder”. Het hof verwijst ook naar de verklaring van getuige [getuige 2] , onder meer inhoudende dat de verdachte niet akkoord ging met het feit dat het slachtoffer het uit wilde maken en dat hij niet accepteerde dat de relatie over was.
Aan de hierboven genoemde berichten en verklaringen heeft het hof mijns inziens kunnen ontlenen dat de verdachte het besluit had genomen om het slachtoffer van het leven te beroven wanneer zij de relatie zou beëindigen. Ik wijs in het bijzonder op de bewoordingen “je wil mij scotten is goed dan gaat me kind maar zonder moeder leven over 12 jaar ben ik buiten”, “op uhn dag knal of steek ik je dood zweer het je” en “als je vind dat het over is, gaat jouw leven ook niet verder”.
Dat de verdachte en het slachtoffer vaker ruzie hadden en al eerder over scheiden hadden gesproken, doet daar in mijn ogen niet aan af. Dat geldt ook voor de door de stellers van het middel genoemde omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen wel vaker “zulke dingen” (als in het bericht van 8 december 2021) tegen het slachtoffer heeft gezegd. Het hof heeft in dit verband overwogen dat het de verdachte op 18 januari 2022 kennelijk duidelijk is geworden dat het slachtoffer niet van mening zou veranderen. Dat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de overweging van het hof dat de verdachte op 18 januari 2022 heeft gedaan “wat hij zich had voorgenomen en ook had aangekondigd”.
Dan de stelling dat het oordeel dat de verdachte niet in een gemoedsopwelling heeft gehandeld nadere motivering vereist, omdat uit het tijdsverloop en de gestelde contra-indicaties zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte conform een nieuw (impulsief) genomen besluit heeft gehandeld. Ik ben het met de stellers van het middel eens dat de band tussen een reeds genomen besluit en de uitvoering daarvan onder omstandigheden kan worden doorbroken, zodat een geheel nieuw besluit nodig is. Zo zijn er situaties denkbaar waarin er aanwijzingen zijn dat iemand is teruggekomen op een aanvankelijk besluit en het uiteindelijke handelen om die reden ook niet meer als uitvoering van dat aanvankelijke voornemen kan worden gezien. De feiten en omstandigheden die het hof in de onderhavige zaak aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, wijzen er daarentegen op dat de verdachte achter zijn eerder genomen besluit is blijven staan. Ik wijs nogmaals op de verklaring van de getuige [getuige 1] , waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte in ieder geval op 16 januari 2022 nog achter zijn besluit stond. Dat de verdachte niet op zijn voorgenomen besluit is teruggekomen, blijkt voorts uit een voor het bewijs gebezigde SMS die het slachtoffer in de avond van 17 januari 2022 heeft verstuurd (“begin nu wel een beetje angstig te worden man hij zegt gwn hoebedoel je verder gaan, er is geen verder gaan.”).
De derde deelklacht faalt.
De vierde deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans niet zonder meer begrijpelijk, redengevende betekenis heeft toegekend aan de gedragingen van de verdachte na afloop van het feit.
Het hof heeft in zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, het handelen van de verdachte na afloop van het bewezenverklaarde betrokken. Het hof heeft ter zake overwogen dat de verdachte niet heeft gecontroleerd of het slachtoffer nog leefde en evenmin de hulpdiensten heeft gebeld. Daarna heeft hij – uiterlijk kalm – andere kleding aangetrokken, even met de kinderen gesproken, een glas Hennesy gedronken, en is hij in zijn auto met de kinderen naar het politiebureau gereden. Dat gedrag past volgens het hof bij iemand die volgens een eerder genomen besluit heeft gehandeld.
De stellers van het middel merken terecht op dat uit het onder 2.5 weergegeven beoordelingskader blijkt dat de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit relevante factoren zijn voor de vraag of voorbedachte raad bewezen kan worden, maar dat gedragingen die worden verricht na het begaan van het feit daarin niet als wegingsfactor worden genoemd. Dat impliceert evenwel niet dat de gedragingen die worden verricht na afloop van het feit nooit relevant kunnen zijn voor de beantwoording van die vraag; alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval kunnen daarbij immers van belang zijn. Zo kan het achteraf zorgvuldig wissen van sporen wijzen op planmatig handelen, terwijl in hevige paniek de hulpdiensten bellen in de regel juist op een opwelling zal duiden.
Dat het hof mede in zijn oordeel heeft betrokken dat de verdachte na het doden van het slachtoffer geen hulp heeft ingeschakeld, zich kalm heeft omgekleed, een glas cognac heeft gedronken en met de kinderen naar het politiebureau is gereden om daar kalm te melden dat hij iets ernstigs had gedaan, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat gedrag past – zoals het hof heeft geconstateerd – bij iemand die conform een eerder genomen besluit heeft gehandeld (ik begrijp: eerder dan bij iemand die heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling).
Ten overvloede merk ik op dat de overwegingen van het hof ten aanzien van de periode voorafgaand aan de uitvoering van het besluit en tijdens de uitvoering daarvan (zoals hiervoor onder 2.6 sub i t/m iii weergegeven), het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ook zelfstandig kunnen dragen. Ook zonder de beschouwingen ten aanzien van zijn gedragingen na afloop van het bewezenverklaarde, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
De vierde deelklacht faalt.
Het middel faalt.
3. Het namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voorgestelde middel
Het middel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (de kinderen van het slachtoffer) ter zake van de vorderingen wegens ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ (“anders dan shokschade”) als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW. De stellers van het middel voeren aan dat het oordeel van het hof dat de behandeling van dit deel van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en onvoldoende is onderbouwd, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
Na enkele algemene overwegingen over de vorderingen van de benadeelde partijen heeft het hof als volgt overwogen met betrekking tot de vordering tot immateriële schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] :
“Immateriële schade
Affectieschade
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als zoon van het slachtoffer affectieschade heeft geleden, als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder d van het Burgerlijk Wetboek en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is bij algemene maatregel van bestuur, in dit geval het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Volgens artikel 1, eerste lid, van dit Besluit geldt in het geval van overlijden door een misdrijf een vergoeding van € 20.000,00 voor een thuiswonend minderjarig kind. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Shockschade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij als zoon van het slachtoffer getuige is geweest van het bewezenverklaarde feit en is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan bij het zien van het levenloze lichaam van zijn moeder, het slachtoffer. Bovendien heeft de benadeelde partij de verdachte tijdens het steken geprobeerd te stoppen en van zijn moeder af te trekken, terwijl zij zijn naam riep. Naar het oordeel van het hof kan dit niet anders dan zeer traumatisch zijn geweest, hetgeen bevestiging vindt in de slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen en de verslagen van meerdere zorgverleners, waaruit blijkt dat hij een ernstig trauma heeft opgelopen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] komt derhalve in aanmerking voor toewijzing van shockschade. Het hof is echter van oordeel dat er sprake is van samenloop van affectieschade en shockschade en zal hierdoor hetgeen de Hoge Raad hierover heeft overwogen in zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) betrekken: ‘Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding on grond van de artikelen 6:107 lid 1 aanhef en onder b BW en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.’
Gelet op het hiervoor overwogene wordt de omvang van de shockschade van [benadeelde 1] , rekening houdend met de aanspraak op affectieschade, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval - in het bijzonder de omstandigheid dat de benadeelde partij geprobeerd heeft om de verdachte tijdens het steken van het slachtoffer af te trekken en zijn zusje heeft beschermd - en gelet op vergelijkbare gevallen, naar maatstaven van billijkheid voor de benadeelden begroot op € 40.000,00. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aantasting in de persoon
Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post ‘aantasting in de persoon’, naast de reeds gevorderde affectie- en shockschade, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de civiele rechter worden aangebracht.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 60.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
Met betrekking tot de vordering tot immateriële schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] heeft het hof overwogen:
“Immateriële schade
Affectieschade
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als dochter van het slachtoffer een nauwe en affectieve relatie tot het slachtoffer had, dat zij affectieschade heeft geleden, als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 en 4 onder d van het Burgerlijk Wetboek en dat deze schade het rechtstreek gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is volgens artikel 1, eerste lid, van het Besluit Vergoeding Affectieschade in het geval van overlijden door een misdrijf voor een thuiswonend minderjarig kind op € 20.000,00 vastgesteld.
De vordering zal derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag.
Shockschade
De benadeelde partij is ongewild getuige geweest van het om het leven brengen van haar moeder door haar vader en is geconfronteerd geweest met het levenloze lichaam van het slachtoffer. Namens de benadeelde partij is met stukken onderbouwd dat bij haar sprake is van geestelijk letsel, dat gelet op de aard en de gevolgen, ernstig is. Zij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en heeft last van herbelevingen, waarvoor zij destijds traumabehandelingen heeft ondergaan.
Het hof is, gelet op de onderbouwing, van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] in aanmerking komt voor toewijzing van de gevorderde shockschade.
Het hof is echter - overeenkomstig het hiervoor overwogene bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] - van oordeel dat er sprake is van samenloop van affectieschade en shockschade, waardoor de omvang van de shockschade, rekening houdend met de aanspraak op affectieschade, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en gelet op vergelijkbare gevallen, naar maatstaven van billijkheid wordt begroot op € 30.000,00.
De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Aantasting in de persoon
Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de post 'aantasting in de persoon', naast de reeds gevorderde affectie- en shockschade, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij wordt ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de civiele rechter worden aangebracht.
Het hof is derhalve van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 50.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
Juridisch kader
Art. 6:106 lid 1 BW en 6:108 lid 1, 3 en 4 BW luiden – voor zover hier van belang – als volgt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud: […]
3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.
4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
[…]
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
[…].”
Op grond van art. 6:106, aanhef en onder b BW kan een vergoeding worden gevorderd in het geval de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De benadeelde in deze bepaling betreft de persoon die primair is getroffen door de onrechtmatige daad, zoals in de onderhavige zaak het overleden slachtoffer.
Een (strikte) uitzondering hierop wordt gevormd door de mogelijkheid van de toekenning van zogenoemde ‘shockschade’ aan een derde bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. De door deze (jegens die derde) onrechtmatige handeling ontstane immateriële schade komt op grond art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel.
De schade die derden lijden door het overlijden van een naaste wordt door de wet (uitsluitend) geregeld door art. 6:108 BW. Op grond van art. 6:108 lid 3 BW kunnen de naasten van een overleden slachtoffer een (forfaitaire) vergoeding van hun ‘affectieschade’ vorderen. Het gaat daarbij om schade in verband met het verdriet ten gevolge van het overlijden van een slachtoffer, zoals in de onderhavige zaak de moeder van de benadeelde partijen. Art. 6:108 BW werkt exclusief; buiten deze bepaling kan geen aanspraak worden gemaakt op vergoeding van schade ten gevolge van het overlijden van een ander.
Bespreking van het middel
In de onderhavige zaak heeft het hof de vorderingen van de betreffende benadeelde partijen tot vergoeding van affectieschade (in verband met het overlijden van het slachtoffer) toegewezen tot het gevorderde bedrag. De vorderingen tot vergoeding van shockschade (in verband met het geestelijke letsel dat is ontstaan door het waarnemen van het strafbare feit) zijn door het hof, gelet op de samenloop tussen de gevorderde affectieschade en shockschade, gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De gevorderde vergoedingen voor ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW anders dan de door het hof toegekende vergoedingen van de shockschade, zijn door het hof niet-ontvankelijk verklaard. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel behoeft niet in de weg te staan dat het hof zijn oordeel dat sprake is van een onevenredige belasting niet heeft gemotiveerd.
Uit de onderbouwing van de vorderingen van de betreffende benadeelde partijen voor wat betreft ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ anders dan de shockschade, volgt dat die vorderingen betrekking hebben op schade in hun ontwikkeling, zelfvertrouwen, gevoel voor veiligheid en identiteitsontwikkeling. Betoogd is in dat kader blijkens – onder meer – de vorderingen van de benadeelde partijen vooral dat de benadeelde partijen in de toekomst voor problemen/uitdagingen zullen komen te staan die zij zonder het misdrijf niet zouden hebben gehad en beperkt zullen worden op allerlei terreinen. Voor de hoogte van de vergoeding is aangesloten bij uitspraken van andere (feiten-)rechters in strafzaken.
In het licht van de inhoud en onderbouwing van deze vorderingen, de relatie tussen deze vorderingen en de door het hof (gedeeltelijk) toegewezen shock- en affectieschade en de beperkingen van de strafprocedure, acht ik het oordeel van het hof dat de beoordeling van dit deel van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Dat de verdachte zich ter zake de vorderingen benadeelde partijen heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof, staat daaraan niet in de weg.
Het middel faalt.
4 Slotsom
Het namens de verdachte voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Het namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG