Strafrecht overig

Conclusie AG. Het middel klaagt over de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld nu uit de…

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
29 maart 2026
Zaaknummer
23/04569
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:346
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Het middel klaagt over de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld nu uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verbeurdverklaarde geldbedragen door het bewezen verklaarde feit zijn verkregen. Dat feit betreft uitsluitend de verkoop van zeer geringe hoeveelheden cocaïne en heroïne. Het middel slaagt, nu de motivering van de verbeurdverklaring ex artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr, inderdaad tekort schiet. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de geldbedragen en tot terugwijzing van de zaak. Daarnaast strekt de conclusie tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17 november 2023

    ECLI:NL:GHSHE:2023:3841
  2. Conclusie A-G · 31 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:346

  3. Hoge Raad · 9 juni 2026

    ECLI:NL:HR:2026:869

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/04569

Zitting 31 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 17 november 2023 (parketnr. 20-000762-23) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" (feit 1) en “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr). Tevens heeft het hof een beslissing genomen over het beslag, een en ander als nader in het arrest bepaald.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan, advocaat in 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld, ten bedrage van € 7,70 en € 1.255,00.

4. In de kern behelst het middel de klacht dat de bewijsvoering niets inhoudt waaruit kan volgen dat het verbeurdverklaarde geld uitsluitend of grotendeels, direct of indirect, door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde feit is verkregen. Het bewezen verklaarde betreft uitsluitend de verkoop van zeer geringe hoeveelheden cocaïne en heroïne. Zonder nadere motivering is daarom niet begrijpelijk dat daaruit onder meer een bedrag van € 1.255,00 zou zijn verkregen, terwijl uit het dossier niet blijkt van andere transacties. Ook het enkele aanwezig hebben van verdovende middelen kan de verbeurdverklaring niet dragen. De beslissing levert een ontoereikend gemotiveerde beslissing op, aldus de steller van het middel.

De bewezenverklaring en de motivering van de verbeurdverklaring

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

“1. op 15 november 2022, te [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 14 gram cocaïne en 10 gram heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2. op 15 november 2022, te [plaats] , opzettelijk heeft verkocht, een hoeveelheid cocaïne en heroïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”

6. Het hof heeft ten aanzien van de verbeurdverklaring overwogen:

“Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij gelegenheid van het vooronderzoek onder de verdachte een geldbedrag van € 7,70, een geldbedrag van € 1.255,00, 8 stuks cocaïne zonder vermelding van de hoeveelheid (uit het proces-verbaal bevindingen (p. 26) blijkt dat het in totaal om 4 gram gaat), 40 stuks heroïne in totaal 10 gram heroïne, 31 stuks cocaïne in totaal 10 gram cocaïne en 1 stuk heroïne zonder vermelding van de hoeveelheid in beslag zijn genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken de geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00, tijdens de fouillering in de jaszakken van de verdachte werden aangetroffen. De voornoemde hoeveelheden heroïne en cocaïne werden in de auto waarin de verdachte reed ten tijde van zijn aanhouding, aangetroffen.

De geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00 zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat het voorwerpen zijn die door middel van of uit de baten van het onder feit 2 bewezenverklaarde zijn verkregen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen hoeveelheden cocaïne en heroïne is het hof van oordeel dat deze dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, omdat het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs een strafbaar feit oplevert.”

Het juridisch kader

7. Voor verbeurdverklaring is vereist dat de rechter vaststelt dat – in relatie tot het bewezen verklaarde feit – één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet.Uit ’s hofs overweging kan worden afgeleid dat het hof de verbeurdverklaring heeft doen steunen op artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr. Op grond van deze bepaling zijn vatbaar voor verbeurdverklaring “voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het [bewezen verklaarde] strafbare feit zijn verkregen”. Het gaat dus om voorwerpen die (geheel of ten dele) kunnen worden aangemerkt als het product of de opbrengst van het bewezen verklaarde feit. De vatbaarheid voor verbeurdverklaring hoeft niet noodzakelijkerwijs te blijken uit bewijsmiddelen. De vaststelling van de vatbaarheid voor verbeurdverklaring moet berusten op gegevens die zijn gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting.

De bespreking van het middel

8. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Op 15 november 2022 observeerden verbalisanten een Volkswagen met [kenteken 1] , waarvan de bestuurder door één van hen werd herkend als de verdachte. Rond 18:55 uur zagen de verbalisanten in [plaats] dat deze Volkswagen stilstond bij een Renault met [kenteken 2] . Kort daarna werd via het flexteam gemeld dat een drugsdeal was waargenomen. De koper was weggereden in de Renault, bestuurd door [betrokkene 1] .

9. Bij de controle van [betrokkene 1] troffen verbalisanten in het muntvakje van zijn portemonnee meerdere bolletjes aan, waaronder witte en bruine bolletjes. Deze zijn in beslag genomen. Uit later forensisch onderzoek door het NFI bleek dat het aangetroffen bruine materiaal (circa 0,7 gram) heroïne bevatte en dat het witte materiaal (circa 0,9 gram) cocaïne bevatte. [betrokkene 1] verklaarde vervolgens dat hij heroïne en cocaïne had gekocht. Op de vraag hoe lang hij al drugs bij de verkoper – zijnde de verdachte – kocht, verklaarde hij dat dit al ongeveer vier jaar het geval was. Verder verklaarde hij dat de verkoper de verdovende middelen uit een verstopplaats in de auto pakte.

10. Uit de stukken van het geding volgt dus dat bij de verdachte geldbedragen zijn aangetroffen, dat hij op de dag van zijn aanhouding een geringe hoeveelheid heroïne en cocaïne heeft verkocht aan [betrokkene 1] en dat deze heeft verklaard al langere tijd drugs bij verdachte te kopen. Het hof heeft echter niet vastgesteld dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is van meerdere transacties, dat verdachte zich structureel met drugshandel bezighoudt, wat de prijs was van de op die dag verkochte verdovende middelen, noch dat de kort vóór de aanhouding waargenomen transactie een bedrag van deze omvang kan verklaren. Het hof heeft volstaan met de overweging dat de geldbedragen zijn verkregen door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezen verklaarde. Nu dat feit slechts betrekking heeft op één verkoop van een geringe hoeveelheid verdovende middelen (ongeveer 0,7 gram heroïne en 0,9 gram cocaïne), is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat de aangetroffen geldbedragen als opbrengst daarvan kunnen worden aangemerkt. De motivering van de verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr schiet daarmee tekort.

11. Het middel slaagt.

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

12. Ambtshalve wijs ik dat de Hoge Raad uitspraak doet na 27 november 2025, wat met zich brengt dat de redelijke termijn in cassatie, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

Slotsom

13. Naast hetgeen ik onder 12 heb opgemerkt, heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de verbeurdverklaring van de geldbedragen van € 7,70 en € 1.255,00 en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan. Daarnaast strekt deze conclusie tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Die vaststelling van de vatbaarheid voor verbeurdverklaring moet in beginsel expliciet. Ik citeer uit HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9: “Het Hof heeft in het midden gelaten op welke in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde grond of gronden het geldbedrag (…) voor verbeurdverklaring vatbaar is. Mede gelet daarop heeft het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring van voormeld geldbedrag ontoereikend gemotiveerd.” HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:233; HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9, waaruit ik citeer: “Opmerking verdient (…) dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a, eerste lid, Sr telkens het bewezenverklaarde feit moet worden verstaan, zodat in een geval als het onderhavige voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in art. 33a, eerste lid, Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde (…)”. HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:187, r.o. 3.3.2. HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668, NJ 2007/109. Vgl. HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:233; HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1772; HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1620; HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1423; HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:187. Het cassatieberoep is op 27 november 2023 ingesteld.