Strafrecht overig
Conclusie AG. Overtreding Opiumwet. Middel klaagt dat hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd…
ECLI:NL:PHR:2026:499 · Parket bij de Hoge Raad · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-499
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 16 mei 2026
- Zaaknummer
- 25/00664
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:499
Samenvatting
Conclusie AG. Overtreding Opiumwet. Middel klaagt dat hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat KMar bevoegd was om verdachte te fouilleren o.g.v. art. 52 lid 5 WWM. AG gaat in op reikwijdte van deze fouilleringsbevoegdheid op luchtvaartterrein Schiphol. Middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 14 februari 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:802Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:499
Hoge Raad · 1 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1376
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00664
Zitting 2 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 14 februari 2025 door het gerechtshof Amsterdam wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een geldboete van € 400,-, die in termijnen mag worden voldaan, subsidiair acht dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft D.W. Roos, advocaat in 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
2 Het middel
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de Koninklijke marechaussee bevoegd was om de verdachte te fouilleren op grond van art. 52 lid 5 WWM.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 4 maart 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne”.
Het hof heeft de volgende bewijsoverwegingen in de aantekening van het mondeling arrest opgenomen:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De fouillering was onrechtmatig omdat deze buiten het aangewezen luchthavengebied werd uitgevoerd en zonder redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Dit heeft als gevolg dat het uit de fouillering verkregen bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de verdediging. Zonder dat bewijs, is er onvoldoende bewijs en dient vrijspraak te volgen.
Op basis van het dossier en het verhandelende ter zitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast:
De verdachte stond enige tijd stil enige tijd op een plek bestemd voor het direct ophalen of afzetten van passagiers ter hoogte van vertrekhal 1. Uit de politiesystemen volgde dat de kentekenhouder van de auto in verband gebracht werd met een recente bedreiging met een vuurwapen. De verdachte is staande gehouden ter hoogte van vertrekhal 1 door [verbalisant] . Bij een fouillering treft [verbalisant] in een pakje sigaretten een aantal ponypacks met cocaïne aan.
Het hof overweegt als volgt:
De Koninklijke Marechaussee heeft op grond van artikel 52 lid 5 van de Wet wapens en munitie de bevoegdheid tot het verrichten van een fouillering. Deze bevoegdheid geldt voor personen die zich bevinden op het daartoe aangewezen luchthaven- of luchtvaartterrein.
Op van basis van vorenstaande stelt het hof dat de verdachte zich daadwerkelijk op de luchthaven bevond ten tijde van de fouillering. Naar het oordeel van het hof vallen de vertrekhallen, en het parkeerterrein daaraan grenzend, bij het functionele luchthaventerrein. Daarmee was de Koninklijke Marechaussee bevoegd om te fouilleren op grond van de Wet wapens en munitie. In tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd, was bovendien ook sprake van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Uit de gegevens uit de politiesystemen bleek immers dat de eigenaar van de auto in verband werd gebracht met een verdenking van een wapendelict. Dat de verdachte later voor die verdenking is vrijgesproken, doet hieraan niet af.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en laat het proces-verbaal van 4 maart 2021 van [verbalisant] toe tot het bewijs.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts kan worden afgeleid dat de verdachte zich op enig moment met zijn voertuig bevond bij het ophaal- en afzetpunt ter hoogte van vertrekhal 1 van Schiphol en dat hij, nadat hij was weggereden, door de Koninklijke marechaussee is stilgezet en gefouilleerd. Nadere vaststellingen waaruit blijkt dat de locatie waar hij werd stilgezet, kan worden aangemerkt als een ruimte die bij uitstek is bestemd voor aankomst en vertrek van reizigers of dat de locatie waar de fouillering feitelijk heeft plaatsgevonden deel uitmaakte van het door de minister aangewezen luchtvaartterrein ontbreken, aldus de steller van het middel.
Art. 52 lid 5 WWM luidt als volgt:
“De opsporingsambtenaren alsmede andere daartoe door Onze Minister aangewezen personen zijn bevoegd een persoon die zich bevindt op een bij regeling van Onze Minister aangewezen luchthaven, te allen tijde aan zijn kleding en de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, alsmede diens vervoermiddel, te onderzoeken.”
Art. 52 lid 5 WWM geeft opsporingsambtenaren – waaronder door de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee dienen te worden geschaard – alsmede andere daartoe door deze minister aangewezen personen de bevoegdheid om een persoon die zich bevindt op een bij regeling door de minister aangewezen luchthaven te allen tijde aan zijn kleding en de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, alsmede diens vervoermiddel te onderzoeken.
Tot 18 juli 2007 was de in art. 52 WWM genoemde bevoegdheid – sinds 2002 in lid 4 – wat locatie betreft, beperkt tot een voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte van een luchtvaartterrein als omschreven bij of krachtens de Luchtvaartwet. Deze bevoegdheid gold daarmee slechts binnen het beveiligde gebied van luchthavens. Buiten dit gebied, in de publieke gedeelten, had de Koninklijke marechaussee onder voorwaarden in het kader van haar algemene politietaak op luchthavens de bevoegdheid tot preventief fouilleren. Per 18 juli 2007 is de bevoegdheid neergelegd in art. 52 WWM uitgebreid, zodat deze kon worden ingezet tegen iedere persoon die zich bevindt “op de Luchthaven Schiphol, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet Luchtvaart, of luchtvaartterreinen als bedoeld in artikel 1 van de Luchtvaartwet”. De reden voor deze uitbreiding was er onder meer in gelegen dat bleek dat “de gevaren van illegaal (vuur)wapenbezit en -gebruik zich niet beperken tot de voor aankomst en vertrek van de reizigers bestemde gedeelten van luchtvaartterreinen, maar dat deze gevaren zich ook uitstrekken tot de voor het publiek toegankelijke gedeelten van luchtvaartterreinen of luchthavens”. Met de inwerkingtreding van de Wet van 18 maart 2010 tot wijziging van de Wet luchtvaart en enkele andere wetten, houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de luchtvaart op 7 juli 2010 is de tekst van art. 52 WWM wederom aangepast. Sindsdien wordt bepaald dat de hier bedoelde bevoegdheid kan worden ingezet tegen personen die zich bevinden “op een bij regeling van Onze Minister aangewezen luchthaven”. Van deze aanwijzingsbevoegdheid heeft de minister van Justitie gebruik gemaakt door het uitvaardigen van de Regeling fouilleerbevoegdheid luchthavens. Art. 1 van deze regeling vermeldt een lijst met luchthavens waarin de in art. 52 lid 5 WWM genoemde onderzoeksbevoegdheid mag worden toegepast. Op deze lijst staat ook luchthaven Schiphol vermeld. Enige nadere omschrijving van het gebied dat de luchthaven beslaat, geeft het besluit noch de toelichting daarop. Het ligt wat mij betreft, mede gezien de wens van de wetgever om de onderzoekbevoegdheid van art. 52 lid 5 WWM uit te breiden naar de voor het publiek toegankelijke gedeelten van luchtvaartterreinen, in de rede om bij de afbakening van het luchthavengebied aansluiting te zoeken bij het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Art. 1.2.1 van dit besluit bepaalt dat het luchthavengebied het gebied is dat als zodanig is aangewezen op de kaart in bijlage 1 bij dit besluit. Uit deze bijlage valt op te maken dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit (en ook nu nog) het gehele gebied van de terminal, inclusief de weg die naar de vertrekhal loopt, onderdeel uitmaakt van het luchthavengebied.
Tegen deze achtergrond faalt het middel. Blijkens de vaststellingen van het hof is de verdachte ter hoogte van vertrekhal 1, kennelijk op of bij een plek die is bestemd voor het direct ophalen of afzetten van reizigers, gefouilleerd. Dit valt binnen het in de bijlage bij het Luchthavenindelingbesluit weergegeven luchthavengebied. Het ligt ook in de rede dat de weg die van een naar de vertrek- en aankomsthallen van Schiphol leidt deel uitmaakt van het toepassingsgebied van de onderzoeksbevoegdheid. Dat ervoor is gekozen de zinsnede “en voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte van een luchtvaartterrein” te laten vervallen, vond zijn aanleiding namelijk onder meer in de wens om controle aan voertuigen die zich bevinden op de luchthaven Schiphol op grond van deze bepaling mogelijk te maken. Het hof heeft daarmee terecht geoordeeld dat de Koninklijke marechaussee bevoegd was om de verdachte te fouilleren op grond van de Wet wapens en munitie. Dit oordeel is verder niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
In dit verband merk ik nog op dat stellers verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2004 niet opgaat. Uit dit arrest volgt dat de bevoegdheid van art. 52 lid 4 (oud) WWM beperkt was tot het voor aankomst en vertrek van reizigers bestemd gedeelte van een luchtvaartterrein. Echter, zoals reeds uiteen is gezet in deze conclusie, is art. 52 WWM daarna aangepast – nota bene mede naar aanleiding van het arrest van het hof dat ten grondslag ligt aan het arrest van de Hoge Raad dat de steller van het middel aanhaalt – en geldt deze beperking niet meer.
3 Slotsom
Het middel faalt.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG