Strafrecht overig
Conclusie AG. Verstekverlening. Inschrijving BRP voor aanvang zitting. Middel klaagt dat het hof op de…
ECLI:NL:PHR:2026:526 · Parket bij de Hoge Raad · 26 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-526
Zaakgegevens
Op 26 mei 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 mei 2026
- Datum publicatie
- 24 mei 2026
- Zaaknummer
- 24/03646
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:526
Samenvatting
Conclusie AG. Verstekverlening. Inschrijving BRP voor aanvang zitting. Middel klaagt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte en dat daarmee het aanwezigheidsrecht is geschonden. Het middel slaagt nu blijkt dat de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep alsnog in de BRP blijkt te zijn ingeschreven en uit de stukken blijkt dat een afschrift van de dagvaarding niet aan dit BRP-adres is toegezonden, zodat moet worden aangenomen dat dit niet is gebeurd.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:526
Hoge Raad · 14 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1223
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03646
Zitting 26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 augustus 2024 (parketnr. 21-001144-24) toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv, nu de verdachte en zijn raadsman geen bezwaren hebben opgegeven tegen het vonnis in eerste aanleg (parketnr. 16-175788-22) en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof heeft de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F. Visser, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2024 ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte en dat daarmee het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden.
4. Volgens de toelichting op het middel stond de verdachte sinds 31 juli 2024, één dag voor de terechtzitting in hoger beroep, ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) op het woonadres [b-straat 1] te [plaats] , terwijl uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt dat het hof hiervan op de hoogte was of heeft onderzocht of de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Daarom had het hof het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen bij de behandeling aanwezig te zijn, aldus de steller van het middel. De geldigheid van de betekening van de dagvaarding wordt door de steller van het middel nadrukkelijk niet betwist.
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich, voor zover hier van belang:
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 juni 2024, inhoudende dat de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 juni 2024, inhoudende dat op 17 juni 2024 en 22 juni 2024 getracht is om de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats] , maar dat dit niet gelukt is;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 juli 2024, inhoudende dat de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie;
- de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 4 juli 2024, inhoudende dat de verdachte op dat moment niet staat geregistreerd op een woon- of verblijfadres;
- de akte van uitreiking van de uitspraak in hoger beroep d.d. 20 augustus 2024;
- de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 20 augustus 2024, inhoudende dat de verdachte vanaf 31 juli 2024 in de BRP was ingeschreven op het woonadres [b-straat 1] te [plaats] .
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 augustus 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] .
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats]
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
Hoewel correct opgeroepen, is de raadsman van verdachte, mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht , [is] evenmin ter terechtzitting verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat het onderzoek wordt voortgezet.”
7. De Hoge Raad heeft zich vrij recent (opnieuw) uitgesproken over een vergelijkbare klacht. In de betreffende uitspraak herhaalt de Hoge Raad dat als een verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats rechtsgeldig is gedagvaard en noch hij noch zijn raadsman op de terechtzitting verschijnt, de rechter in beginsel mag aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.
8. Dat uitgangspunt kan echter achteraf onjuist blijken. Dat is met name het geval wanneer de dagvaarding weliswaar rechtsgeldig aan een medewerker van het Openbaar Ministerie is betekend, maar de verdachte vóór de terechtzitting alsnog in de BRP blijkt te zijn ingeschreven zonder dat dit de rechter bekend was. Aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is in zo’n geval tekortgedaan.
9. Uit de onder nummer 5 weergegeven stukken van het geding en uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en dat de appeldagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Verder volgt daaruit dat de verdachte niet ten tijde van het dagvaarden, maar wel ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep in de BRP stond ingeschreven op het voornoemde woonadres in [plaats] .
10. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding aan dit BRP-adres is toegezonden, zodat moet worden aangenomen dat dit niet is gebeurd. Het oordeel van het hof dat van de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was, dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte en dat met de behandeling van de zaak kon worden doorgegaan, is achteraf bezien onjuist. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
Slotsom
11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG