Strafrecht overig

Conclusie AG. Poging wederrechtelijk verblijven op haventerrein (art. 45 jo. 138aa Sr). Middel klaagt ten…

Zaakgegevens

Op 2 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juni 2026
Datum publicatie
28 mei 2026
Zaaknummer
24/03929
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:542
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Poging wederrechtelijk verblijven op haventerrein (art. 45 jo. 138aa Sr). Middel klaagt ten eerste dat hof in midden heeft gelaten of het is uitgegaan van "medeplegen van een poging tot het zich toegang verschaffen tot" of van "medeplegen van een poging wederrechtelijk te verblijven op haventerrein". Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. AG gaat ambtshalve in op verhouding tussen art. 138aa lid 1 en lid 2 Sr. Verder wordt geklaagd over oordeel hof omtrent begin van uitvoering. Deze klacht faalt ook, omdat gedragingen verdachten, vooral gezien plaats en tijdstip van aantreffen, de kleding die zij droegen en attributen die zij bij zich hadden, evident naar uiterlijke verschijningsvorm erop gericht waren om het haventerrein binnen te gaan. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 18 oktober 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1895
  2. Conclusie A-G · 2 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:542

  3. Hoge Raad · 30 juni 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1030

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03929

Zitting 2 juni 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2024 door het gerechtshof Den Haag wegens “poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven telefoon.

1.2

Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam , één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang en/of uit hetgeen is vastgesteld, niet zonder kan meer volgen dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.

2.2

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 19 januari 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om zich de toegang te verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [A] en/of aldaar wederrechtelijk te verblijven, opzettelijk met zijn mededader(s)

- gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd is/zijn afgezet door een taxi ter hoogte van het haventerrein van de [A] ,

- een betonschaar heeft/hebben meegenomen, welk voorwerp geschikt is om sloten en/of containers te openen,

- een tas met daarin meerdere voorwerpen, waaronder een powerbank, eten, drinken, telefoons en/of een zaklamp, heeft/hebben meegenomen, welke voorwerpen geschikt zijn om enige tijd op/rond het haventerrein te verblijven,

en/of

- terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders in het bezit was/waren van een of meer containerzegels,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

2.3

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 19 januari 2024 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om zich de toegang te verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [A] en aldaar wederrechtelijk te verblijven, opzettelijk met zijn mededaders

- gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd is afgezet door een taxi ter hoogte van het haventerrein van de [A] ,

- een betonschaar heeft meegenomen, welk voorwerp geschikt is om sloten en/of containers te openen,

- een tas met daarin meerdere voorwerpen, waaronder een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp, heeft meegenomen, welke voorwerpen geschikt zijn om enige tijd op het haventerrein te verblijven

- terwijl zijn mededaders in het bezit waren van containerzegels,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.

2.4

Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit, omdat - kort gezegd - geen sprake is van een strafbare poging, nu er geen begin van uitvoering is geweest die gericht was op voltooien van het misdrijf. De verdachte heeft geen opzet gehad op het zich toegang verschaffen tot en verblijven op een besloten (haven)terrein. Evenmin is sprake van medeplegen, nu de verdachte geen opzet heeft gehad op enige vorm van samenwerking met de medeverdachten, aldus de raadsman.

Het hof stelt het volgende voorop.

Een poging tot het plegen van een misdrijf is strafbaar wanneer het voornemen van de verdachte daartoe zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Daarvan is sprake indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:389 en HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373).

In artikel 138aa Sr. is onder meer strafbaar gesteld (1) het verblijven op een besloten plaats en (2) het zich toegang verschaffen tot die plaats door middel van bepaalde nader in dat artikellid omschreven en strafbaar gestelde handelingen. Het hof merkt evenwel op dat aan de verdachte naast een poging tot het ‘verblijven op’, een poging tot het ‘toegang verschaffen tot’ een besloten plaats ten laste is gelegd, maar dat in de tenlastelegging bij het ‘toegang verschaffen’ de strafbaar gestelde handelingen (om zich toegang tot die plaats te verschaffen) ontbreken.

Voorts wordt het volgende overwogen.

Uit de door hot hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met anderen, bezig is geweest om het in de tenlastelegging genoemde gevolg te bewerkstelligen. Het hof leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is omstreeks half vier ‘s-nachts samen met drie anderen door een taxibus afgezet op de [plaats] , ter hoogte van het besloten terrein [A] . De douaneambtenaren [douanabeambte 1] en [douanebeambte 2] zien de vier mannen bij het hek van [A] staan. De [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de anderen al in de taxi zaten toen hij instapte en dat zij in de taxi uitleg kregen; het ging over iets verplaatsen. Het hof leidt uit die verklaring van [medeverdachte 1] af dat de verdachte zich, toen de uitleg werd gegeven, in de taxi bevond. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zij hun telefoons moesten uitdoen en dat hij containerzegels kreeg. Hot hof leidt uit het dossier af dat de telefoon van de verdachte, die bij zijn aanhouding in beslag werd genomen, toen op de vliegtuigstand stond. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij eerder al op de chat via een vriend te horen had gekregen dat hij zou moeten klimmen en dat hij daarvoor € 25.000,- zou krijgen, maar dat dit volgens de opdrachtgever slechts € 15.000,- zou zijn. Uit het onderzoek dat later door de opsporingsambtenaren is ingesteld naar het dataverkeer op de telefoon, die bij de [medeverdachte 2] bij diens aanhouding is aangetroffen, is een chatbericht van de dag ervoor gevonden, waarin is gesproken over een ontmoeting buiten, zich in het zwart kleden en zich bij aanhouding op het zwijgrecht beroepen. In een ander chatbericht vraagt [medeverdachte 2] aan een onbekend persoon of hij wilde weten hoe men gevraagd wordt om uit te halen. In het proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van de verdachten bij het hek van [A] hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerd dat zij zagen dat de verdachten allen in het zwart waren gekleed, meerdere lagen kleding over elkaar droegen en dat tussen hen de volgende goederen lagen: een betonschaar, een tas met daarin een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp. Het hof merkt op dat dit attributen zijn, die geschikt zijn om zich toegang tot het terrein en containers te verschaffen en om langere tijd op het terrein te verblijven. Bij de fouillering van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn ook nog containerzegels aangetroffen. Eén van de medeverdachten droeg een bivakmuts en sloeg (na ontdekking door de douaneambtenaren) een telefoon kapot.

Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvormen, gericht op het gezamenlijk betreden van en vervolgens verblijven op het terrein van [A] . Naar het oordeel van het hof is het delict slechts niet voltooid omdat dit nog net op tijd door de douaneambtenaren werd verijdeld.

De verdachte heeft ontkend dat hij het vorenvermeld doel had. In het politieverhoor, direct na zijn aanhouding, heeft hij verklaard dat hij daar wilde wandelen en chillen en dat hij de medeverdachten niet kent. Bij de politierechter heeft hij verklaard dat hij in de taxi stapte omdat hij naar huis wilde. Ten overstaan van de politie heeft hij verklaard dat hij geen alcohol drinkt en niet meer blowt. Uit een later door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen blijkt dat zij bij de aanhouding van de verdachte geen verschijnselen van alcohol of drugs bij hem hebben waargenomen. Het enkele tijdsverloop tussen hun bevindingen en het opmaken van het proces-verbaal maakt nog niet dat dit als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

Mede gelet op de hiervoor genoemde eigen verklaring van de verdachte over zijn (non) alcohol- en drugsgebruik, die de bevindingen van de verbalisanten ondersteunt, heeft het hof geen aanleiding om aan de juistheid van de waarnemingen door de verbalisanten en het op ambtseed opgemaakt proces-verbaal te twijfelen. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat hij stoned en dronken was en zich dientengevolge niets meer kan herinneren, staat hier haaks op.

De door de verdachte (alternatief) geschetste reden van zijn aanwezigheid ter plaatse onder de gegeven omstandigheden, schuift het hof dan ook als ongeloofwaardig ter zijde, waarbij nog wordt opgemerkt dat ook de medeverdachten geen aannemelijke verklaring hebben gegeven voor hun aanwezigheid op die plaats, op dat tijdstip.

Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maken dat het hof van oordeel is dat de verdachte het voornemen had om samen met anderen op het besloten terrein van [A] te verblijven en dat de door de verdachte en zijn medeverdachten verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate op de voltooiing daarvan waren gericht. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval voldoende komen vast te staan dat sprake was van feitelijke en opzettelijke samenwerking en aldus van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het wederrechtelijk verblijven op het haventerrein, zodat het hof ook het ‘in vereniging’ plegen van het tenlastegelegde bewezen acht.

Het hof verwerpt het verweer.”

2.5

De stellers van het middel voeren om te beginnen aan dat uit het arrest niet blijkt in hoeverre het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Als ik de stellers van het middel goed begrijp, wordt geklaagd dat het hof in het midden heeft gelaten of het is uitgegaan van het medeplegen van een poging tot het zich toegang verschaffen tot of van het medeplegen van een poging wederrechtelijk te verblijven op het haventerrein. Indien het hof uit is gegaan van een poging tot het zich toegang verschaffen van een besloten plaats is dat niet te rijmen met hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van het ontbreken van bestanddelen in de tenlastelegging hieromtrent, zodat het arrest in dat geval niet in stand kan blijven. Indien het hof uit is gegaan van een poging tot wederrechtelijk verblijven is dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, nu de vastgestelde gedragingen op het moment van ingrijpen door de douane/politie nog niet dicht genoeg bij de voltooiing van dat misdrijf lagen om een poging aan te nemen.

2.6

De stellers van het middel gaan er bij hun klacht (overigens in navolging van het hof) ten onrechte van uit dat art. 138aa Sr twee strafbare gedragingen onderscheidt, te weten enerzijds het wederrechtelijk verblijven op een in het dit artikel bedoelde besloten plaats en anderzijds het zich toegang verschaffen tot zo’n plaats. Ik licht dit toe.

2.7

Art. 138aa Sr luidde van 1 januari 2022 tot 1 januari 2026 – en dus op of omstreeks de tenlastegelegde datum van 19 januari 2024 – als volgt:

“1.

Hij die wederrechtelijk verblijft op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2.

Hij die zich de toegang heeft verschaft tot een in het eerste lid bedoelde plaats door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of door middel van een valse of niet aan betrokkene toebehorende toegangspas, een valse hoedanigheid of misleiding van een persoon, belast met de bewaking van die plaats, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3.

De in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien:

a.

de schuldige zich op de besloten plaats, bedoeld in het eerste lid, de toegang heeft verschaft tot een gebouw, ruimte of vervoermiddel bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen door middel van de handelingen, bedoeld in artikel 138, tweede lid;

b.

het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.”

2.8

Art. 138aa lid 1 (oud) Sr stelt strafbaar het wederrechtelijk verblijven op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen. Art. 138aa lid 2 (oud) Sr houdt in dat hij die zich de toegang heeft verschaft tot een in het eerste lid bedoelde plaats door middel van onder meer braak, inklimming of valse sleutels kan worden gestraft met een hogere gevangenisstraf of geldboete dan degene die enkel wederrechtelijk verblijft op een terrein in de zin van art. 138aa lid 1 (oud) Sr. Art. 138aa lid 2 (oud) Sr behelst geen afzonderlijk strafbaar feit, maar een strafverhogende omstandigheid waaronder het in het eerste lid genoemde feit kan worden gepleegd, zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de wet waarbij art. 138aa Sr in het leven is geroepen. Met andere woorden, art. 138aa lid 2 (oud) Sr kan niet als afzonderlijk delict ten laste worden gelegd en bewezen worden verklaard, maar slechts als strafverzwarende omstandigheid (“terwijl hij zich de toegang heeft verschaft ….”). Dit wordt nog eens bevestigd door de wijziging van art. 138aa Sr per 1 januari 2026 waarbij lid 2 (ter verduidelijking) is aangepast, zodat dit nu luidt dat “de schuldige” (in plaats van “hij”) die zich de toegang heeft verschaft tot de in het eerste lid bedoelde plaatsen door middel van de in lid twee genoemde middelen zwaarder kan worden gestraft. In de memorie van toelichting is deze wijziging als volgt gemotiveerd:

“Artikel 138aa stelt strafbaar het wederrechtelijk verblijven op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen. Sinds de inwerkingtreding van deze bepaling zijn meerdere zaken voor de rechter gebracht. Daarbij zijn vragen gerezen over de verhouding tussen het eerste en tweede lid van deze bepaling. Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat het tweede lid van artikel 138aa een strafverhogingsgrond bevat. De vormgeving als strafverhogingsgrond of als afzonderlijk strafbaar feit is met name van belang voor de wijze waarop dit feit ten laste wordt gelegd. Aan toepassing van de strafverhoging op grond van het tweede lid zal de rechter enkel toe kunnen komen als het delict uit het eerste lid onder de omstandigheden genoemd in het tweede lid is bewezen.”

2.9

Hoewel het ervoor moet worden gehouden dat het hof er ten onrechte van is uitgegaan dat in lid 1 en lid 2 van art. 138aa Sr sprake is van twee afzonderlijke feiten, maakt dit niet dat het hof in het midden heeft gelaten of het is uitgegaan van het medeplegen van een poging tot het zich toegang verschaffen tot of van het medeplegen van een poging wederrechtelijk te verblijven op het haventerrein, waarover de stellers van het middel klagen. Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”. Het hof gaat er aldus van uit dat het bewezenverklaarde een poging tot overtreding van (alleen) art. 138aa lid 1 Sr oplevert. Dit vindt bevestiging in de strafmaatmotivering, waarin het hof overweegt dat de verdachte zich samen met zijn mededaders schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het wederrechtelijk verblijven op het haventerrein van [A] , als bedoeld in art. 138aa Sr. Reeds hierom faalt de klacht. Dit wordt niet anders doordat het hof – zoals tenlastegelegd – heeft bewezenverklaard dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om zich de toegang te verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen en aldaar wederrechtelijk te verblijven. Noch tenlastegelegd, noch bewezenverklaard is immers dat het verschaffen van die toegang zou geschieden door een of meer van de in art. 138aa lid 2 Sr bedoelde middelen.

2.10

Ten tweede klaagt het middel over het oordeel van het hof dat naar uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een begin van uitvoering en dus van poging tot het begaan van het in art. 138aa (oud) Sr genoemde misdrijf.

2.11

Over het leerstuk van de strafbare poging heeft de Hoge Raad begin dit jaar het volgende overwogen:

“2.5

Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479).”

2.12

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte omstreeks half vier ’s nachts samen met drie anderen door een taxibus is afgezet op de [plaats] ter hoogte van het besloten haventerrein. Zij worden door twee douanebeambten bij het hek van het terrein aangetroffen. Op dat moment waren zij allen in het zwart gekleed, hadden meerdere lagen kleding over elkaar aan en lagen tussen hen in een betonschaar, een tas met daarin een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp. Het hof merkt in dit verband op dat dit attributen zijn die geschikt zijn om zich toegang tot het terrein en containers te verschaffen en om langere tijd op het terrein te verblijven. De telefoon van de verdachte stond ten tijde van de aanhouding op de vliegtuigstand. Bij medeverdachten werden containerzegels aangetroffen. Een andere medeverdachte droeg een bivakmuts en sloeg zijn telefoon na ontdekking door de douanebeambten stuk. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij in de taxi uitleg kregen over het ‘verplaatsen’ van iets en dat zij hun telefoons moesten uitdoen, dat hij een containerzegel kreeg en dat hij eerder had gehoord dat hij een groot geldbedrag zou krijgen voor het ‘klimmen’.

2.13

Wat mij betreft, kon het hof oordelen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het wederrechtelijk verblijven op het haventerrein. De verdachte en zijn medeverdachten zijn bij het hek aangetroffen en stonden – gelet op de plaats, het tijdstip en het samenstel van goederen dat men bij zich droeg – kennelijk op het punt om het haventerrein binnen te dringen. De vastgestelde gedragingen liggen dus zeer dicht bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Voorts zijn de gedragingen van de verdachten, vooral gezien het tijdstip van aantreffen, de kleding die zij droegen en de attributen die zij bij zich hadden, evident naar uiterlijke verschijningsvorm erop gericht om het haventerrein binnen te gaan.

2.14

Voor zover verder nog een beroep wordt gedaan op het Grenswisselkantoor-arrest van 8 september 1987 – waarin de Hoge Raad oordeelde dat de gedragingen van de verdachten, namelijk het in een auto, voorzien van valse kentekenplaten, met draaiende motor nabij een grenswisselkantoor wachten, terwijl zij waren voorzien van pruiken, (imitatie)wapens, handboeien, touw en tape en van plan waren een medewerker, die al in de buurt was, te grijpen, niet konden worden beschouwd als gedragingen die naar uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf afpersing – faalt het middel eveneens. In het Grenswisselkantoor-arrest hadden de verdachten de auto immers nog niet verlaten, terwijl in de onderhavige zaak de verdachten de taxi hadden verlaten en, in het zwart en gelaagd gekleed en voorzien van de voornoemde attributen, zich reeds richting de omheining van het haventerrein – het ‘object’ van het bewezenverklaarde – hadden verplaatst, alwaar zij zijn aangehouden. De onderhavige zaak vertoont mijns inziens veel meer gelijkenissen met arresten waarin de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter dat sprake was van een begin van uitvoering en dus van een poging in stand liet. Ik wijs in dit verband op:

- het Cito-arrest (waarbij de verdachte bij het te beroven kantoor had aangebeld met gedeeltelijk afgedekt gelaat, een schietklaar vuurwapen en lege weekendtas);

- het arrest van 3 maart 2009 (waarbij de medeverdachte met een gestolen auto na middernacht achterwaarts met gedoofde lichten op aanwijzing van twee personen, waaronder de verdachte, in de richting van de supermarkt was gereden waarna de twee personen, toen in de woning naast de supermarkt een licht aanging, iets naar de bestuurder riepen en snel instapten, en de auto met gedoofde lichten en met hoge snelheid wegreed); en

- het arrest van 12 april 2011 (waarin de verdachte met een auto met drie anderen, voorzien van een PTT-jas, een elektrisch wapen, walkie-talkies en een doos, naar de woning van het beoogde slachtoffer was toegereden met het voornemen om uit de woning geld of goederen weg te nemen en vervolgens door een van de medeverdachten, gekleed in de PTT-jas en voorzien van de doos met daarin het elektrische wapen, naar de woning was gelopen zonder dat hij daar iets te zoeken had).

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt. Mede omdat het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.

3.2

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Parketnummer: 22-000399-24. Dit arrest is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2024:1895. Zo begrijp ik de stellers van het middel. In de schriftuur staat het volgende: “Indien het hof uit is gegaan van een poging tot het zich toegang verschaffen van een besloten plaats is dat niet te rijmen met hetgeen het hof ten aanzien van het ontbreken van bestanddelen in de tenlastelegging zodat het arrest in dat geval niet in stand kan blijven”. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35564, nr. 3, p. 36. Daar staat (refererend aan art. 138aa lid 2 Sr) “Dit lid bevat een strafverhogingsgrond”. In het eerdergenoemde arrest van het hof Den Haag van 3 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:984 werd dit overigens erkend, maar kwam het hof toch tot de conclusie dat sprake is van twee afzonderlijke feiten. Stb. 2025, 333 (inwerkingtredingsbesluit Stb. 2025, 414). Kamerstukken II 2023/24, 36463, nr. 3, p. 53. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:189. HR 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1988/612 m.nt. A.C. ’t Hart. HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 m.nt Th.W. van Veen. HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9152, r.o. 2.5-2.6. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351, NJ 2011/ 358 m.nt. N. Keijzer, r.o. 4.2-4.3. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106 m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.5.