Strafrecht overig
Conclusie AG. Weigering mee te werken aan een bloedonderzoek (art. 163 lid 6 WVW). Jaddoe. Falend middel over…
ECLI:NL:PHR:2026:582 · Parket bij de Hoge Raad · 16 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-582
Zaakgegevens
Op 16 juni 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/03112
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:582
Samenvatting
Conclusie AG. Weigering mee te werken aan een bloedonderzoek (art. 163 lid 6 WVW). Jaddoe. Falend middel over bewijs van opzet. Conclusie strekt tot verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 6 augustus 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:2668Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:582
Hoge Raad · 14 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1184
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03112
Zitting 16 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 6 augustus 2024 (parketnr. 23-002812-22) door het gerechtshof Amsterdam wegens “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht dagen, waarvan zeven dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ook heeft het hof een taakstraf van veertig uur aan de verdachte opgelegd en hem voor de duur van tien maanden de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd, met aftrek van de periode waarin het rijbewijs voor de tenuitvoerlegging van deze straf ingevorderd of ingehouden is geweest. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf bevolen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.A.W. Dekker, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat het opzet van de verdachte op het weigeren van het bloedonderzoek niet uit de bewijsmotivering kan worden afgeleid.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
4. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“op 13 mei 2022 te [plaats] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.”
5. Het arrest bevat de volgende overwegingen (onderstreping door mij, D.A.):
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het weigeren medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte., op grond van zijn medische toestand, aan de politieambtenaren heeft gevraagd een arts te spreken. De politieambtenaren hebben hieraan geen gevolg gegeven, waardoor de verdachte niet in de gelegenheid is geweest een arts te spreken en er geen bloedonderzoek is verricht. Anders dan hem wordt verweten is er geen sprake van een expliciete weigering, maar van een verzoek om een arts te spreken. De verdachte heeft geen voorwaarde gesteld aan zijn weigering, maar aan zijn toestemming, aldus de raadsman.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte - door voorwaarden te stellen aan zijn medewerking - moet worden beschouwd als een weigeraar.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het verweer en is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 163, lid 6, WVW 1994.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat de verbalisanten in de nacht van 12 op 13 mei 2022 een melding kregen van een voertuig dat slingerend en met een veel te lage snelheid reed op de [snelweg] , in de richting van [plaats] . Toen de verdachte staande werd gehouden en hij uit zijn voertuig stapte, constateerden de verbalisanten dat hij onvast ter been was en naar alcohol rook. De verbalisanten vorderden medewerking aan een voorlopige ademtest en vervolgens een ademanalyse, maar de verdachte bleek niet in staat om voldoende lucht uit te blazen voor een geslaagde test. Om die reden werd de verdachte meegenomen naar het politiebureau en werd hij gevraagd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat de verdachte daarop zei dat hij daarvoor geen toestemming gaf. Ook aan het daarop volgende bevel van hulpofficier van justitie [verbalisant 2] om medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek gaf de verdachte geen gevolg. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat de verdachte verklaarde: “Neem jij de verantwoording als ik geprikt word en het gaat fout? Ga jij tekenen? Ik wil eerst alles getekend hebben en dan wil ik dat mijn familie hier komt om die papieren te bekijken. En anders doe ik het niet.” Ondanks de uitleg van de hulpofficier van justitie dat er een arts ter plaatse zou komen en de politieambtenaren het bloed niet zou afnemen, maar de arts, bleef de verdachte herhalen dat hij een arts wilde spreken en gaf hij geen toestemming voor het bloedonderzoek.
Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een voorwaarde heeft gesteld aan zijn medewerking aan het bloedonderzoek. Het verbinden van een voorwaarde aan toestemming en medewerking wordt volgens vaste rechtspraak gelijkgesteld aan een weigering in de zin van artikel 163, zesde lid, WVW 1994.
Ten overvloede merkt het hof op dat voorheen medewerking aan een bloedonderzoek straffeloos kon worden geweigerd indien er sprake was van bijzondere geneeskundige redenen. Die wettelijke uitzondering van art. 163, zevende lid, is komen te vervallen per 15 maart 2018. Het is daarom bij een bevolen bloedonderzoek niet langer mogelijk een beroep te doen op een bijzondere geneeskundige reden.”
De bespreking van het middel
6. Het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk heeft geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Ik wijs op de onderstreepte delen van de bewijsoverweging, waaruit heeft het hof zonder meer het opzet van de verdachte heeft kunnen afleiden.
Slotsom
7. Het middel faalt. Omdat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken van het ten laste gelegde ligt afdoening met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering niet voor de hand.
8. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de opgelegde straffen zal de Hoge Raad kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding. Ook overigens heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG