Strafrecht overig

Conclusie AG. Belaging. Middel klaagt aan de hand van twee deelklachten dat hof oplegging tbs met…

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
3 juli 2026
Zaaknummer
25/01349
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:684
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Belaging. Middel klaagt aan de hand van twee deelklachten dat hof oplegging tbs met dwangverpleging en maatregel uit art. 38z Sr, meer specifiek dat bij verdachte sprake is van stoornis en/of dat is voldaan aan gevaarscriterium, ontoereikend heeft gemotiveerd. Dat hof hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden relevant heeft geacht bij oordeel over stoornis is niet onbegrijpelijk. Verder heeft hof toereikend gemotiveerd waarom zodanig gevaar van verdachte uitgaat dat oplegging van tbs met dwangverpleging vereist is. Ook heeft hof – in combinatie met overwegingen in relatie tot gevaar dat oplegging tbs met dwangverpleging vereist – toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat zonder kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ook na afloop van op vier jaar gemaximeerde tbs reële kans op escalatie en herhaling aanwezig is waardoor gevaar voor anderen ontstaat. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 april 2025

    ECLI:NL:GHARL:2025:2016
  2. Conclusie A-G · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:684

  3. Hoge Raad · 18 augustus 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1347

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01349

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 3 april 2025 (parketnr. 21-003206-24) de verdachte veroordeeld wegens "belaging" en zijn terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelast. Het hof heeft voorts aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (art. 38z Sr) opgelegd.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

1.3

Het middel klaagt dat het hof de oplegging van de maatregelen, meer in het bijzonder dat bij de verdachte sprake is van een stoornis en/of dat is voldaan aan het ‘gevaarscriterium’ onvoldoende heeft gemotiveerd.

2 De zaak

2.1

Ten laste van de verdachte is in de onderhavige zaak bewezen verklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 2 juli 2023 tot en met 1 september 2023 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] veelvuldig (seksueel getinte) berichten via e-mail en Instagram en Facebook toe te sturen, met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden.”

2.2

Het hof heeft de bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het arrest. Die bewijsmiddelen bevatten verwijzingen naar de bijlagen I tot en met V, waarin onder meer de aangifte van de aangeefster en een groot aantal berichten van de verdachte aan de aangeefster staan opgenomen. Vanwege de omvangrijke inhoud van die bijlagen neem ik deze niet integraal in de tekst op, maar vat ik ze aan de hand van de vaststellingen van het hof kort samen. In de kern volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte het deed voorkomen alsof hij en de aangeefster een relatie hadden. In werkelijkheid hebben zij op enig moment op de universiteit deel uitgemaakt van dezelfde werkgroep, maar hebben zij in levenden lijve weinig contact met elkaar gehad. De aangeefster heeft na de eerste paar mailtjes die de verdachte aan haar stuurde aan hem bericht dat zij geen behoefte had aan contact. De verdachte bleef haar berichtten. Dat deed hij per e-mail en via Instagram en Facebook. Het ging om een almaar toenemende hoeveelheid aan berichten die op een gegeven moment dagelijks werden gestuurd. De berichten werden steeds langer, indringender en meer obsessief van aard. Ook verstuurde de verdachte veel berichten met een seksuele strekking. In de berichten suggereert de verdachte dat er over en weer contact is tussen hem en de aangeefster en dat zij hem toezeggingen gedaan zou hebben. Ook bedankt hij haar voor haar intense aanwezigheid gedurende de nacht, benoemt hij dat hij grenzeloos van haar houdt en heeft hij het erover dat zij bij hem kan komen wonen en elke nacht bij hem kan overnachten. Op het moment van zijn arrestatie had hij een van sociale media gehaalde foto van haar als achtergrond op zijn telefoon.

2.3

Het hof heeft de verdachte wegens belaging tot terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met dwangverpleging veroordeeld. De verdachte is in 1997 al eerder een tbs-maatregel opgelegd wegens een poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat deze maatregel van start is gegaan op 23 juni 1998 en op 2 november 2021 is omgezet in een tbs met voorwaarden. Op 18 november 2022 is de maatregel volledig beëindigd.

3 Het proces-verbaal van de terechtzitting en de overwegingen van het hof

3.1

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 blijkt onder meer het volgende:

“De verdachte verklaart op de vragen van het gerechtshof, zakelijk weergegeven:

(…)

Ik ontken niet dat ik die berichten heb gestuurd. Ik meende dat het contact wél gewenst was. In haar eerste e-mailbericht schijft zij: “Natuurlijk mag je mijn telefoonnummer hebben”.

(…)

Ik probeerde mij te verplaatsen in andere mensen, om te peilen hoe ik zou reageren. Ik heb het als een onvoorwaardelijke toezegging opgevat, want ze schreef: “Ja, natuurlijk enz”. Ze wist dat mijn vraag naar haar telefoonnummer niet met de studie te maken had. Het is wat inconsequent wat ze zegt. Het is ook wat inconsequent wat ik zei.

(…)

Het gebruik van de medicatie was alleen noodzakelijk en geoorloofd in het kader van het verblijf in de kliniek. Na het verblijf in de kliniek heb ik geen medicatie meer gebruikt. De [...]kliniek vond dat er beter met mij samen te werken was wanneer ik onder invloed was van medicatie.

Ik heb het inderdaad helemaal verkeerd gezien bij haar. Na haar eerste e-mailbericht begon dat al bij mij te dagen. Wat zij heeft gedaan is doen alsof ze interesse toonde.

(…)

Ik had er rekening mee gehouden dat ze zou verschijnen op de dag waarop ik met haar wilde afspreken. Ik ben toen inderdaad naar de bushalte gegaan, voor de afspraak.

Ik ben tot aan mijn aanhouding doorgegaan met het versturen van berichten. Na één maand hield ik er rekening mee dat er geen interesse is. Vanaf toen ging ik steeds meer onzin in de berichten zetten. Ik probeerde meer onzin te schrijven en dingen die niet kloppen te schrijven, zodat ze door de onzin dóór zou lezen als ze echt geïnteresseerd was. Als ze herhaald had dat ze geen interesse heeft of eerder aangifte had gedaan of er door de universiteit ingegrepen was, was het eerder duidelijk geweest voor mij. Achteraf bezien was het een stommiteit van mij. Ik heb geprobeerd haar duidelijk te maken wat de achtergrond van mijn berichten aan haar was. Als ze geen aangifte had gedaan was ik begin september ermee gestopt. Het was me toen duidelijk dat ze geen interesse had, want ze verscheen niet op afspraken.

(…).

De advocaat-generaal had het over dwingen te dulden. Dat is niet zo. Ze had mijn e-mailadres kunnen blokkeren, met een simpele druk op de knop. Ik heb niet een relatie met haar gezien. Ik heb geprobeerd de mogelijkheid daarvan te onderzoeken.

Ook nu wordt er weer gedaan alsof er in 2000 een waanstoornis is geweest en dat [slachtoffer] geen interesse in mij had.”

3.2

Wat betreft de oplegging van de tbs-maatregel houdt het arrest het volgende in:

“Oplegging van maatregel

Het gerechtshof verenigt zich grotendeels met de overwegingen hierover van de rechtbank en neemt die overwegingen hieronder grotendeels over.

Bij het bepalen van de maatregel is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het belagen van [slachtoffer] gedurende een periode van twee maanden. Hoewel [slachtoffer] - na de eerste paar mailtjes die de verdachte aan haar had verstuurd - aan hem heeft bericht dat zij geen behoefte had aan contact met hem, is hij haar veelvuldig blijven benaderen door stelselmatig berichten via e-mail, Instagram en Facebook te sturen, waaronder berichten met een seksuele lading en berichten waarin de verdachte doet alsof [slachtoffer] en hij een relatie met elkaar hebben. Ook heeft hij in zijn berichten aan haar laten weten dat hij een foto van haar als achtergrond op zijn telefoon had ingesteld waardoor hij haar de hele dag kon zien. De verdachte heeft op een indringende en obsessieve wijze geprobeerd om met [slachtoffer] in contact te komen en heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op haar integriteit en haar persoonlijke vrijheid.

Strafblad

Het gerechtshof heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 13 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in 1997 is veroordeeld voor een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling en dat hij de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (TBS) opgelegd heeft gekregen. Deze maatregel is op 18 november 2022 beëindigd.

TBS

De persoon van de verdachte en de verschillende rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht in de periode van 1995 tot en met 2024 zal het gerechtshof hierna bespreken in het kader van de vraag die óók in hoger beroep voorligt: of de noodzaak bestaat tot het opleggen van TBS, zoals gevorderd door de advocaat-generaal.

TBS kan worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Bij de verdachte dient ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens te hebben bestaan. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit, voor zover hier van belang, een misdrijf te zijn zoals omschreven in artikel 37a lid 1 Sr en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.

Voor oplegging van TBS moet de rechter op grond van artikel 37a lid 3 Sr beschikken over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen die de verdachte hebben onderzocht. Als de verdachte medewerking aan onderzoek weigert, kan TBS ook zonder advies van deskundigen worden opgelegd. Dan vereist artikel 37a lid 4 Sr dat de rechter zelf een ziekelijke stoornis of gebrekkige geestelijke ontwikkeling vaststelt. Dat kan dan worden vastgesteld op basis van andere rapporten en adviezen omtrent de persoon van de verdachte.

Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan een gedragskundig onderzoek in het kader van deze zaak en de reclassering evenmin een advies heeft kunnen uitbrengen omdat de verdachte niet met hen in gesprek ging, ontbreekt een advies om TBS op te leggen. Het gerechtshof is daarom aangewezen op de eerdere rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht en op het onderzoek ter zitting, om vast te kunnen stellen of sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige geestelijke ontwikkeling.

Stoornis

De verdachte heeft in het verleden meegewerkt aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek. In de loop der jaren zijn diverse diagnoses gesteld en diverse hypotheses genoemd, maar tot eenduidige diagnostiek is het niet gekomen. Dit mede doordat de verdachte steeds zeer terughoudend bleef, weinig transparant was, en het daardoor niet of nauwelijks is gelukt om inzicht te krijgen in zijn belevingswereld. Dat de diagnostiek in al die jaren niet helder is geworden, wijst mogelijk op complexe psychiatrische problematiek. Er is wel steeds overeenstemming geweest dat bij de verdachte sprake was van een paranoïde waansysteem dat een bepalende invloed heeft gehad op de in het verleden (in 1994 en 1995) door hem gepleegde delicten, maar de vraag welke eventuele stoornis hieraan ten grondslag lag, is door de diverse forensisch psychologen en psychiaters niet eenduidig beantwoord. Uiteindelijk werd tijdens de TBS-behandeling en in de Pro Justitia-rapportages van de laatste jaren uitgegaan van in ieder geval een waanstoornis, met daarnaast persoonlijkheids-problematiek en/of mogelijk autisme. Op grond van de voorliggende rapportages bestaat de indruk dat de ideeën van de verdachte ten aanzien van de indexdelicten in de loop der jaren (in ieder geval gedurende de TBS-behandeling) hebben aangehouden, en dat hij geen afstand heeft gedaan van het oude waansysteem. In al die jaren lijkt hij geen ziektebesef te hebben ontwikkeld.

Het laatste rapport waaraan de verdachte heeft meegewerkt, is de verlengingsrapportage van 20 april 2022. De verdachte had daarop geen op- of aanmerkingen, en hij kon zich vinden in de adviezen die erin stonden. Psychiater [naam 1] rapporteerde daarin een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een waanstoornis. De vastgestelde waanstoornis richtte zich op gebeurtenissen van meer dan 25 jaar geleden. Er trad geen nieuwe waanvorming op en er kon niet gesproken worden van een actuele psychotische toestand. De verdachte werd in 2016 ingesteld op anti-psychotische medicatie. Daardoor verliep de samenwerking uiteindelijk beter. Sinds september 2019 woonde de verdachte zelfstandig in een appartement in de buurt van [plaats], aanvankelijk met transmuraal en proefverlof, en sinds eind september 2021 met een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging. Dit verliep goed en zonder problemen of incidenten.

Psychiater [naam 1] verwees ten aanzien van het recidiverisico in zijn rapport naar een verlengingsadvies van mei 2001: "Door gebrek aan probleembesef en ziekte-inzicht (beide inherent aan de stoornis) en door afwijzing van behandeling en begeleiding, valt het geschetste delictscenario ook voor de toekomst te vrezen. De kans op ontregeling en een hierop volgende agressiedoorbraak wordt met name op de langere termijn voorstelbaar geacht." Samengevat schreef de kliniek verder dat het risico op terugval in gewelddadig gedrag bij een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege als laag tot matig werd ingeschat. Zonder het kader van de TBS werd het risico op gewelddadig gedrag ingeschat als matig tot hoog. Betrokkene zou de medicatie laten staan waardoor de psychiatrische stabiliteit onder druk zou komen en betrokkene gefixeerde en waanachtige verstoringen in denken zou krijgen. Het risico op terugval in gewelddadig gedrag (in beginsel vooral in relatief milde vormen van agressie of grensoverschrijdend gedrag, zoals stalkingachtig gedrag) zou dan geleidelijk toenemen: "Ernstigere vormen van agressie worden met name verwacht wanneer zijn ontregeling niet wordt gesignaleerd en (middels medicatie) gecorrigeerd. In dat geval kan zijn agressie zich richten naar (willekeurige) anderen in zijn omgeving die hem in zijn beleving dwarszitten dan wel belemmeren in zijn toegang tot een persoon/vrouw naar wie zijn waanachtige fixatie zich richt.” Destijds was niet duidelijk binnen welke termijn zich dit zou kunnen ontwikkelen.

Psychiater [naam 1] nam bij de taxatie van het recidiverisico in 2022 in overweging dat de verdachte sinds de aanvang van zijn TBS, bijna 24 jaar geleden, geen evident delictgedrag meer had laten zien en niet meer gewelddadig was geweest. Voor zover er wel aanwijzingen waren voor delict-gewelddadig gedrag, werd hij daarvan vrijgesproken of werd de zaak geseponeerd, wegens het ontbreken van wettig bewijs. Dat de verdachte aanvankelijk geen anti-psychotische medicatie gebruikte (van 1998 tot 2016) en nadien wel, heeft hierop geen invloed gehad. Wel leek de medicatie een gunstige invloed te hebben gehad op het denken van de verdachte en op de samenwerking. Er waren geen aanwijzingen dat het risico op delict-gewelddadig gedrag was toegenomen sinds hij zelfstandig woonde en de verpleging voorwaardelijk was beëindigd. De verdachte functioneerde al zodanig zelfstandig dat het wegvallen van het toezicht, eenmaal per twee weken, gelet op het beperkte karakter daarvan, naar verwachting geen grote invloed zou hebben op het recidivegevaar na beëindiging van de tbs. Dat de verdachte zei dat hij de anti-psychotische medicatie wilde continueren was gunstig voor zijn functioneren in het algemeen. Het voorgaande leidde ertoe dat het recidiverisico naar zijn oordeel laag was en er geen onderbouwing was voor de hypothese dat het recidiverisico toe zou nemen bij beëindiging van de tbs. Specifiek risicomanagement was niet meer nodig. Er was wel een indicatie voor het continueren van de anti-psychotische depotmedicatie, bij voorkeur ook na beëindiging van de tbs. Het voortzetten van die

medicatie zou de kans op nieuwe waanvorming verkleinen.

Het gerechtshof ziet in de omstandigheden waaronder het huidige delict is gepleegd grote gelijkenis met de aanloop die heeft geleid tot de indexdelicten waarvoor eerder een TBS-maatregel werd opgelegd. Aan beide situaties liggen waanideeën ten grondslag waarin de verdachte uit allerlei willekeurige gedragingen van de tegenpartij (oogcontact, kleding) afleidde dat die hem leuk vond, veroverd wilde worden of verliefd om hem was, terwijl er negatief of helemaal niet op zijn berichten werd gereageerd. Het gerechtshof stelt ook vast dat de nieuwe waanideeën zijn opgetreden relatief kort nadat de verdachte in november 2022 - na beëindiging van de tbs-maatregel - is gestopt met de antipsychotica-medicatie. Anders dan psychiater [naam 1] in 2022 vaststelde, is daarmee geen sprake meer van wanen die uitsluitend betrekking hebben op gebeurtenissen in het verleden, maar lijkt ook sprake van actuele wanen.

Het gerechtshof heeft op basis van het bewezenverklaarde feit eenzelfde beeld van de verdachte gekregen als uit de rapportages naar voren komt. Op basis van de inhoud van de berichten die de verdachte heeft verstuurd aan [slachtoffer] , lijkt de verdachte waanideeën te hebben (gehad) waar [slachtoffer] kennelijk een belangrijk onderdeel van uitmaakte. Het gerechtshof ziet in de inhoud van de (eerdere) rapporten en de inhoud van de door verdachte verstuurde berichten, in samenhang met hetgeen het gerechtshof zelf op de zitting in hoger beroep heeft waargenomen met betrekking tot de persoon van de verdachte, voldoende grond om tot de vaststelling te komen dat bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was (en is) van een ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a Sr. Het gerechtshof is van oordeel dat uit alle beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat die ziekelijke stoornis de gedragskeuzen en het handelen van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit zodanig hebben beïnvloed dat dit feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Herhalingsgevaar en algemene veiligheid van personen

Vervolgens dient vastgesteld te worden of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Hoewel de verdachte, op enkele dreigingsincidenten na, over het algemeen zonder geweld heeft gefunctioneerd tijdens de periode waarin hij tbs onderging, acht het gerechtshof het herhalingsgevaar en gevaar voor de algemene veiligheid van personen aanwezig.

De eerdergenoemde beschermende factoren - die maakten dat de tbs-maatregel beëindigd kon worden - zijn niet meer aanwezig: de verdachte neemt geen medicatie meer en de waanbeelden van de verdachte richten zich niet meer alleen op het verleden. Bij het huidige delict lijkt weliswaar in een vroeg stadium van de waan te zijn ingegrepen, maar gelet op de hiervoor besproken rapportages ziet het gerechtshof een reëel risico op de dóórontwikkeling van het waansysteem op de langere termijn, tot het moment dat dit kan leiden tot gewelddadig gedrag, bijvoorbeeld gericht op personen van wie de verdachte vermoedt dat die hem bij het object van zijn waan willen weghouden. Dat de verdachte, terwijl tijdens de tbs-maatregel al jaren geen aanwijzingen voor delict-gewelddadig gedrag waren, binnen enkele maanden na beëindiging van de tbs-maatregel stopt met het gebruik van medicijnen en zich schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit, doet vrezen voor een hoog recidiverisico. Zonder een strikt kader houdt het gerechtshof rekening met een reële kans op escalatie en herhaling, waardoor gevaar voor anderen bestaat.

Conclusie

Het bovenstaande maakt dat voldaan is aan de eisen die de wet aan het opleggen van TBS stelt, te weten:

- bij de verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het gepleegde misdrijf is specifiek genoemd in artikel 37a lid 1 Sr;

- de veiligheid van anderen eist die maatregel.

Het gerechtshof acht oplegging van de maatregel de enige mogelijkheid om het herhalingsgevaar te verminderen dan wel tegen te gaan. Een minder verstrekkende mogelijkheid dan het opleggen van TBS ziet het gerechtshof niet. Doordat de verdachte geen inzicht heeft in zijn eigen problematiek en iedere vorm van hulp en vroegsignalering weigert, kan niet worden volstaan met een minder ingrijpend middel.

Het gerechtshof zal, gelet op het voorgaande, gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Gemaximeerde terbeschikkingstelling

De omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen en die een rol hebben gespeeld bij het bewezenverklaarde feit zijn zorgwekkend, maar er was op dat moment geen sprake van gedragingen van de verdachte die onmiskenbaar waren gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e Sr. Dit brengt met zich mee dat de termijn van de terbeschikkingstelling in beginsel geldt voor de duur van twee jaar, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij deze maatregel is opgelegd onherroepelijk is geworden. De termijn van de terbeschikkingstelling kan door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaar worden verlengd, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. De totale duur van de tbs-maatregel zal in het licht van het voorgaande een periode van vier jaar echter niet te boven gaan.”

3.3

Over de oplegging van de maatregel als bedoeld in art. 38z Sr houdt het arrest in:

“Maatregel langdurig toezicht artikel 38z Wetboek van Strafrecht

Het gerechtshof ziet verder ambtshalve aanleiding om - naast TBS - ook een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr (hierna: GVM) op te leggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na afloop van de gemaximeerde TBS onder toezicht te stellen als dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is.

Uit de hierboven genoemde rapportage komt onder meer naar voren dat door gebrek aan probleembesef en ziekte-inzicht (beide inherent aan de stoornis) en door afwijzing van behandeling en begeleiding, gewelddadig gedrag ook voor de toekomst te vrezen valt.

Het gerechtshof stelt vast dat de verdachte binnen het kader van de eerdere tbs zelfstandig woonde en binnen dit kader met toezicht en medicatie goed leek te functioneren. Zodra dit kader wegviel, is de verdachte echter vrij snel weer ontregeld en teruggevallen in gedragingen die grote gelijkenis vertonen met de aanloop die eerder heeft geleid tot de delicten waar de verdachte destijds tbs voor heeft gekregen. Zonder een kader om de verdachte heen ziet het gerechtshof een reële kans op escalatie en herhaling aanwezig waardoor gevaar voor anderen ontstaat. De op te leggen gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling zal na ten hoogste vier jaar van rechtswege eindigen. Het opzetten en continueren van een kader om een mogelijke ontregeling vroegtijdig te signaleren, kan dan niet meer plaatsvinden in het kader van die maatregel. Toekomstige risico’s voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen kunnen op die manier niet ondervangen worden.

Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Het gerechtshof gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Monitoring van de verdachte gedurende een langere periode na zijn ter beschikkingstelling acht het gerechtshof noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde TBS plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.”

4 Het middel

4.1

Het middel klaagt zoals gezegd dat het hof de oplegging van de maatregelen, meer in het bijzonder dat bij de verdachte sprake is van een stoornis en/of dat is voldaan aan het ‘gevaarscriterium’ onvoldoende heeft gemotiveerd. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.

5 Het juridisch kader

5.1

Voor de beoordeling van de klachten zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 37a leden 1, 3, 4 en 5 Sr:

“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:

1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; en

2°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet.3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit advies.

4. Het derde lid blijft buiten toepassing, indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk rapporteren de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel een ieder van hen afzonderlijk over de reden van de weigering. De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen.

5. Bij het geven van een last als bedoeld in het eerste lid neemt de rechter in aanmerking de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf.”

- Art. 37b lid 1 Sr:

“1. De rechter kan bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.”

- Art. 38z Sr:

“1. Ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kan de rechter, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak:

a. ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in de artikelen 37a, 37b of 38;

(…)

2. Bij de vordering tot oplegging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling.”

De eerste deelklacht

5.2

Met de eerste deelklacht wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof voor zover inhoudende dat bij de verdachte sprake is van een stoornis. Dat de verdachte een stoornis heeft (gehad) heeft het hof aangenomen op basis van (oude) rapportages en “in samenhang met hetgeen het gerechtshof zelf op de zitting in hoger beroep heeft waargenomen met betrekking tot de persoon van de verdachte”. Nu het hof niet heeft aangegeven wát het dan precies heeft waargenomen op grond waarvan het hof mede heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het delict een stoornis heeft gehad, is het oordeel van het hof volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk.

5.3

Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat het aan de feitenrechter is om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van zo’n psychische stoornis is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Van belang is ook dat de rechter ten behoeve van zijn oordeel over de aanwezigheid van een stoornis op grond van art. 37a lid 3 Sr in beginsel een multidisciplinair deskundigenadvies doet overleggen. Indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat daarvoor nodig is, mag de overlegging van dat deskundigenadvies achterwege blijven. Op grond van art. 37a lid 4 Sr dient de rechter in dat geval wel zoveel mogelijk een ander advies of rapport te doen overleggen waaraan de verdachte wel bereid was mee te werken en dat de rechter kan voorlichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de last tot terbeschikkingstelling. De rechter kan daarbij gebruikmaken van oude rapporten die in eerdere strafzaken zijn uitgebracht. Anders dan bij het deskundigenadvies uit lid 3 geldt niet de regel dat deze adviezen niet ouder mogen zijn dan één jaar op het tijdstip van de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting.

5.4

In de onderhavige zaak heeft de verdachte geweigerd medewerking te verlenen aan gedragskundig onderzoek. Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting en mede op basis van eerder opgestelde gedragskundige rapportages, in onderling verband en samenhang bezien, geoordeeld dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten leed aan een psychische stoornis. Beknopt samengevat blijkt volgens het hof uit die rapporten het volgende. De verdachte had ten tijde van de delicten waarvoor hem eerder een tbs-maatregel werd opgelegd een waanstoornis. Die waanstoornis bleef tijdens zijn tbs-behandeling voortduren en richtte zich toen op gebeurtenissen die verband hielden met de eerder gepleegde delicten. Tijdens de gehele tbs-behandeling is bij de verdachte geen ziekte-inzicht ontstaan. Het gebruik van anti-psychotische medicatie had een gunstige invloed op hem en leidde er op een gegeven moment toe dat het recidiverisico laag werd ingeschat. Aangezien de verdachte zei dat hij de medicatie wilde voorzetten was er ook bij beëindiging van de tbs een laag recidiverisico.

5.5

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn medicatie is gestopt nadat de tbs-maatregel was beëindigd. Het hof stelt vast dat de omstandigheden waaronder het huidige delict is gepleegd grote gelijkenis vertonen met de aanloop die heeft geleid tot de delicten waarvoor de verdachte eerder tbs opgelegd kreeg. Aan beide situaties lagen waanideeën ten grondslag waarin de verdachte uit allerlei willekeurige gedragingen van de ander (oogcontact, kleding) afleidde dat die hem leuk vond, veroverd wilde worden of verliefd op hem was, terwijl er negatief of helemaal niet op zijn berichten werd gereageerd. Het hof stelt vervolgens vast dat deze nieuwe waanideeën zijn opgetreden relatief kort nadat de verdachte is gestopt met de antipsychotica-medicatie. Het hof constateert dat geen sprake meer is van wanen die uitsluitend betrekking hebben op gebeurtenissen uit het verleden, maar ook van actuele wanen.

5.6

Op grond van de inhoud van de oude rapportages en de inhoud van de door de verdachte aan de aangeefster verstuurde berichten, bezien in samenhang met hetgeen het hof zelf op de zitting in hoger beroep heeft waargenomen omtrent de persoon van de verdachte, komt het hof vervolgens tot het oordeel dat bij de verachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis zoals bedoeld in art. 37a Sr. Hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden heeft het hof kennelijk relevant geacht omdat het gedrag van de verdachte ter zitting het beeld dat uit de rapportages naar voren komt bevestigt. Dat acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting onder meer heeft gezegd dat hij ‘meende dat het contact wél gewenst was’. Ook wijst hij op het antwoord dat de aangeefster gaf op de vraag uit zijn eerste e-mail of hij haar telefoonnummer mocht en geeft hij aan dat hij dat ‘als onvoorwaardelijke toezegging’ heeft opgevat. Hij was daarnaast van mening dat de aangeefster ‘heeft gedaan alsof ze interesse toonde’.

5.7

Voor zover met de eerste deelklacht ook wordt opgekomen tegen de oplegging van de maatregel als bedoeld in art. 38z Sr, merk ik op dat voor oplegging van die maatregel geen stoornis is vereist.

5.8

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

5.9

De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat het opleggen van de tbs met dwangverpleging is vereist in verband met de veiligheid – mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de ouderdom van de rapporten en het sedert lange tijd achterwege gebleven zijn van enig concreet gevaar voor de veiligheid – onvoldoende is gemotiveerd, met name waarom sprake zou zijn van ernstig gevaar. Aangezien hetzelfde criterium van toepassing is bij het opleggen van de maatregel ex art. 38v Sr (bedoeld zal zijn: art. 38z Sr) is (de oplegging van) die maatregel volgens de stellers van het middel eveneens onvoldoende gemotiveerd.

De klacht over de oplegging van tbs met dwangverpleging

5.10

Voor de beoordeling van de klacht is het volgende van belang. Op grond van art. 37a lid 1 Sr moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van tbs eisen. Dezelfde formulering staat opgenomen in art. 37b lid 1 Sr voor de oplegging van tbs met dwangverpleging. Er hoeft geen sprake te zijn van direct fysiek gevaar. Gevaar voor psychische schade van een of meer anderen kan ook voldoende zijn. De waardering van het recidivegevaar en de vaststelling of het veiligheidscriterium het opleggen van tbs met dwangverpleging eist, is voorbehouden aan de feitenrechter. Die beoordeling is zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst.

5.11

In zijn motivering van de oplegging van de tbs-maatregel toont het hof zich er expliciet van bewust dat de verdachte in de fase van zijn tbs-behandeling over het algemeen zonder geweld heeft gefunctioneerd. Het hof acht het gevaar voor herhaling om de volgende redenen toch aanwezig. De beschermende factoren waardoor het recidiverisico laag werd ingeschat en de tbs kon worden beëindigd zijn volgens het hof niet meer aanwezig. De verdachte is met zijn medicatie gestopt en er zijn bij hem wanen ontstaan die zich niet langer richten op het verleden maar op het heden. Gelet op de oude rapportages ziet het hof een reëel risico op het door ontwikkelen van het (nieuwe) waansysteem op langere termijn, tot het moment dat dit kan leiden tot gewelddadig gedrag, bijvoorbeeld tegen personen van wie de verdachte vermoedt dat zij hem bij het object van zijn waan weg willen houden. Daarbij betrekt het hof bovendien dat de verdachte binnen een paar maanden na beëindiging van de eerdere tbs-maatregel is gestopt met medicatie en een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd.

5.12

Met het voorgaande heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom, ondanks de door de stellers van het middel genoemde omstandigheden, toch een zodanig gevaar van de verdachte uitgaat dat oplegging van tbs met dwangverpleging vereist is. De tweede deelklacht faalt dus in zoverre.

De klacht over de oplegging van een GVM

5.13

Met betrekking tot art. 38z Sr is het volgende van belang. Met deze maatregel wordt beoogd om na afloop van een gevangenisstraf of terbeschikkingstelling toezicht te kunnen blijven houden op een verdachte als het recidiverisico nog niet afdoende is afgenomen. De maatregel kent twee fasen: de beslissing van de rechter tot oplegging van de GVM samen met een terbeschikkingstelling of een gevangenisstraf en (ii) de beslissing van de rechter over de tenuitvoerlegging van de GVM na afloop van die maatregel of straf. De duur van de maatregel en de daarbij te stellen voorwaarden worden in de tweede fase bepaald. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechter die de maatregel oplegt onder meer een inschatting moet maken van het toekomstige recidiverisico, waarbij hij rekening houdt met het type delict (in het bijzonder of aan dat delict mogelijk een verhoogd risico kleeft), de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten.

5.14

Anders dan in art. 37a en 37b Sr is in art. 38z Sr niet opgenomen dat het vastgestelde gevaar oplegging van de maatregel ‘eist’. De eisen die (in de fase van de berechting) aan de gevaarsinschatting worden gesteld zijn dan ook minder hoog dan de eisen die voor de oplegging van tbs gelden. De GVM is op dit punt vergelijkbaar met de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr, bij de oplegging waarvan de Hoge Raad genoegen neemt met de enkele motivering dat een recidiverisico bestaat. Voor zover de stellers van het middel zich op het standpunt stellen dat voor oplegging van een GVM hetzelfde (gevaars)criterium geldt als voor oplegging van tbs, vindt dat standpunt dus geen steun in het recht.

5.15

Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het op basis van het toekomstige risico op herhaling tot zijn beslissing komt om een GVM op te leggen. Zo neemt het hof in overweging dat is gebleken dat de verdachte na het wegvallen van het (beschermende) kader dat de tbs-maatregel hem bood snel is ontregeld en is teruggevallen in gedrag dat overeenkomt met het gedrag in de aanloop naar zijn eerdere delicten. Vanwege het, zoals in de rapportages beschreven, aan zijn stoornis inherente gebrek aan probleembesef en ziekte-inzicht en daarnaast vanwege zijn weigering om mee te werken aan behandeling en begeleiding bestaat er bij het ontbreken van een kader volgens het hof een gevaar voor herhaling van gewelddadig gedrag. Volgens het hof kan door middel van de GVM een kader geboden worden om mogelijke ontregeling vroegtijdig te signaleren waarmee toekomstige risico’s voor de veiligheid kunnen worden ondervangen.

5.16

In combinatie met wat het hof al heeft overwogen in relatie tot het gevaar dat oplegging van tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt, heeft het toereikend gemotiveerd waarom het van oordeel is dat zonder het kader van een GVM ook na afloop van de op vier jaar gemaximeerde tbs een reële kans op escalatie en herhaling aanwezig is waardoor gevaar voor anderen ontstaat. De tweede deelklacht faalt daarmee in al zijn onderdelen.

6 Slotsom

6.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. Wel merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie zal worden overschreden indien de Hoge Raad uitspraak doet na 10 augustus 2026.

6.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Bij brief van 16 juni 2026 heeft de verdachte ook zelf middelen van cassatie voorgesteld. Hem is diezelfde dag medegedeeld dat in cassatie verplichte procesvertegenwoordiging geldt en dat zijn brief, die overigens ook ruim buiten de termijn is binnengekomen, niet kan worden aangemerkt als schriftuur. De verdachte heeft daarop bij brief van 23 juni 2026 gereageerd. Vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311 en meer recent HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295, NJ 2024/150 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov. 5.4.1. HR 16 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0886, NJ 1998/334; HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0634. HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0634, rov. 3.5. Het hof leidt dat ten aanzien van de oude feiten kennelijk af uit het PBC-rapport van 3 juni 2024, opgesteld na de weigering van de verdachte om mee te werken aan gedragskundig onderzoek. Een blik over de papieren muur leert dat dit rapport onder meer inhoudt dat de verdachte voorafgaand aan de delicten die hij pleegde in 1994 en 1995 en die tot de oplegging van de eerdere tbs-maatregel hebben geleid een waansysteem ontwikkelde rond een vrouw die hij kende via de middelbare school. Gaandeweg kreeg hij het idee dat andere mensen hem van haar weg wilden houden, waarna hij uiteindelijk overging tot gewelddadige handelingen tegen vermeende tegenstanders. HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080, rov. 5.4 (t.a.v. art. 37 (oud) Sr, de voorloper van art. 37a Sr met daarin een nagenoeg gelijkluidend gevaarscriterium). Kamerstukken II 1982/83, 11932, nr. 10, p. 5 en HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1671, rov. 2.4 (t.a.v. art. 37a lid 1 Sr). HR 14 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:56, rov. 3.3. Zie hierover meer uitgebreid mijn conclusie van 10 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:166. Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3, p, 12. HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1860, NJ 2023/82, m.nt. J.M. Ten Voorde en HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:770. Conclusie A-G Van Wees 26 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:856 (HR: 81 lid 1 RO), randnr. 3.16. De opgelegde maatregel leent zich naar haar aard echter niet voor vermindering, vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR::2024:492, rov. 3.1.3.