Strafrecht overig

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv op telefoon. Middel klaagt over oordeel…

Parket bij de Hoge Raad, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
25/02004
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:700
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv op telefoon. Middel klaagt over oordeel rechtbank dat beklag gegrond wordt verklaard onder de voorwaarde dat het strafbare materiaal van de telefoon kan worden en wordt verwijderd. Middel slaagt. Opmerkingen over belang bij cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 7 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:700

  2. Hoge Raad · 6 oktober 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1544

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02004 B

Zitting 7 juli 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[klager],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,

hierna: de klager.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Rotterdam (RK 24/023674) heeft bij beschikking van 8 januari 2025 het klaagschrift van klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv op een telefoon, gegrond verklaard onder de voorwaarde dat het verboden materiaal van de telefoon kan worden en wordt verwijderd.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en N. Talhaoui, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat het beklag gegrond is maar dat geen onvoorwaardelijke last tot teruggave wordt gegeven, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Feiten

Op 20 januari 2023 is te onder de klager beslag gelegd op het volgende voorwerp

- iPhone XR. kleur zwart (hierna de telefoon).

Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.

Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Hij werd verdacht van het bezitten van kinderporno en afdreiging.

Op 19 augustus 2024 heeft het Openbaar Ministerie te kennen gegeven dat de telefoon aan de klager zal worden geretourneerd. Vervolgens is het Openbaar Ministerie op 26 augustus 2024 op deze beslissing teruggekomen, omdat er pornografisch materiaal op de telefoon was aangetroffen. De rechtbank Rotterdam heeft op 29 augustus 2024 de klager niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag.

Standpunt klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de telefoon aan de klager. Aangevoerd is dat de rechtbank het klaagschrift niet ontvankelijk heeft verklaard, terwijl de telefoon niet werd geretourneerd aan de klager en ten onrechte het klaagschrift niet inhoudelijk heeft behandeld. Het Openbaar Ministerie is immers teruggekomen op de beslissing tot teruggave en het lijkt erop dat de rechtbank dat niet in ogenschouw heeft genomen. De klager stelt dat het Openbaar Ministerie een ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan en daar pas zeven dagen later op terug is gekomen. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Subsidiair stelt de klager dat er geen strafvorderlijk belang meer is. Zijn zaak is immers geseponeerd en de foto’s en filmpjes kunnen worden verwijderd van de telefoon. De telefoon zou dan terug kunnen naar de klager.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd lot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat het de bedoeling is dat de telefoon wordt vernietigd omdat er kinderporno op is aangetroffen. Normaliter wordt er niet teruggekomen op een toezegging. In dit geval is de toezegging gedaan zonder dat was onderkend dat er kinderporno op de telefoon stond. Dat verandert de zaak en daarom kan de telefoon in beginsel niet terug. De officier van justitie geeft te kennen dat hij bij de politie kan navragen of deze bestanden van de telefoon kunnen worden verwijderd.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dal hel onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f Sv.

Uit de stukken blijkt dat er kinderpornografisch materiaal op de telefoon is aangetroffen. Onder die omstandigheden kan de telefoon niet terug naar de klager. De zaak is inmiddels afgedaan middels een sepot. Dat betekent dat er geen rechter meer naar de inhoudelijke zaak en het beslag zal kijken. De rechtbank vraagt de officier van justitie om bij de politie na te gaan of het verboden materiaal van de telefoon kan worden verwijderd. Als dit mogelijk is, mag de telefoon terug naar de klager. Als dit echter (technisch) niet mogelijk is, kan de telefoon niet worden teruggegeven aan de klager.

De rechtbank oordeelt dat het beklag gegrond is, mits het mogelijk is om het verboden materiaal te verwijderen van de telefoon. Als niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, acht de rechtbank het beklag ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

- Verklaart het beklag gegrond onder de voorwaarde dat het verboden materiaal van de telefoon kan worden en wordt verwijderd.”

2.3

Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat in geval van een beklag van een beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag, de rechter dient te beoordelen a. of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp dient te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.

2.4

In het geval de rechter het beklag gegrond acht, dient het op grond van art. 552a lid 10 Sv de “daarmede overeenkomende last” te geven. Bij een gegrondverklaring van het beklag strekkende tot opheffing van het beslag betreft dat een last tot teruggave. Een dergelijke teruggave dient dan te zijn gericht aan de klager, nu de wet voor wat betreft de beklagprocedure van art. 552a Sv niet de mogelijkheid kent van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend. Aan een dergelijke teruggave kunnen geen voorwaarden worden verbonden. De Hoge Raad overwoog in dit verband op 2 november 2021 “dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid dat de rechter die oordeelt over een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv voorwaarden verbindt aan de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp”.

2.5

Gelet hierop is het middel terecht voorgesteld. In het geval de rechter van oordeel is dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van dat voorwerp wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake (meer), dan dient teruggave te worden gelast en mogen aan deze teruggave geen voorwaarden worden verbonden. De rechtbank heeft dit miskend.

2.6

Het voorgaande zou moeten leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank. Ik heb mij echter afgevraagd of de klager belang bij cassatie heeft omdat de beslissing van de rechtbank mogelijk in het voordeel is van de klager. In dat verband merk ik het volgende op.

2.7

In de bestreden beschikking is overwogen dat op de telefoon kinderpornografisch materiaal is aangetroffen, onder welke omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank de telefoon (logischerwijs) niet kan worden teruggegeven aan de klager. De rechtbank laat het echter niet bij deze negatieve uitkomst voor de klager. Zij overweegt dat door het afdoen van de strafzaak jegens klager middels een sepot geen zittingsrechter meer naar het beslag zal kunnen kijken, als gevolg waarvan de rechtbank de officier van justitie vraagt om bij de politie na te gaan of het verboden materiaal van de telefoon kan worden verwijderd. In het geval dit mogelijk is, is naar het oordeel van de rechtbank het beklag gegrond en kan de telefoon aan klager worden teruggegeven. Is dit (technisch) niet mogelijk, dan acht de rechtbank het beklag ongegrond en kan de telefoon niet worden teruggegeven aan klager. De klager heeft daarmee dus nog een kans dat hij zijn telefoon terugkrijgt.

2.8

Tegelijkertijd is de klager in zijn rechtspositie niet geschaad. Bij het onherroepelijk worden van de besteden beschikking zal het onderzoeken van de mogelijkheid van het verwijderen van het kinderpornografisch materiaal van de telefoon van klager en het opvolging geven aan een voor de klager positieve uitkomst van dat onderzoek, inhoudende dat het materiaal daadwerkelijk wordt verwijderd, erin moeten resulteren dat de telefoon aan de klager wordt teruggegeven. Mocht het uitvoeren van dit onderzoek een voor klager negatieve uitkomst hebben en dus inhouden dat het verwijderen (technisch) niet mogelijk is, dan blijft het beslag op de telefoon voortduren en zal de klager een nieuw klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank kunnen indienen. De mogelijkheid bestaat dan dat het openbaar ministerie bij een voor de klager negatieve uitkomst van voornoemd onderzoek besluit een vordering tot onttrekking aan het verkeer als bedoeld in art. 552f Sv in te dienen, welke vordering dan idealiter gelijktijdig met het klaagschrift ex art. 552a Sv wordt behandeld door de rechtbank. Bij de behandeling van deze vordering kan hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 2 december 2025 heeft uiteengezet van belang zijn. Deze rechtspraak heeft als uitgangspunt dat in een geval als dit het voorwerp niet wordt teruggegeven, waarbij wel moet worden afgewogen of aan de beslagene een vergoeding wordt gegeven of bepaalde bestanden worden verstrekt die zich op de gegevensdrager bevinden.

2.9

Het voorgaande afwegende meen ik dat moet worden overgegaan tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Ik acht daarvoor doorslaggevend dat het gelet op het instellen van cassatieberoep klaarblijkelijk de bedoeling van de klager is geweest de beschikking, en daarmee het voortduren van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave, opnieuw voor te leggen aan de rechtbank en verwerping van het cassatieberoep zou maken dat, bij inactiviteit van het openbaar ministerie en de politie, het afhankelijk van het initiatief van de klager zou zijn om een nieuw oordeel van de beklagrechter te krijgen.

3 Afronding

3.1

Het middel slaagt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.8-2.9. Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:370, rov. 2.2. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1573, rov. 2.7. Vgl. ook HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692, rov. 3.2. HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1717, rov. 2.4-2.6 en HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1716, rov. 3.5.1-3.5.6.